Meester van Ierselstraat

Uit Weekblad “De Molen “ 22 februari 1995
Straatnaamgeving De Overlaet – 11

Op dit moment is de aanleg van de straten in de fases 10 en 11 van De Overlaet – 11 in volle gang. Voor deze straten zijn door de gemeenteraad onderstaande namen vastgesteld.
Fase 10
De volgende namen ontlenen hun namen aan die hoofden van scholen in Rosmalen die geduren een lange periode veel voor de Rosmalense gemeenschap hebben betekend;
Zuster Gertrudosingel, Meester van Ierselstraat, Meester Ceelensingel en Meester Penningsstraat.

Familie Scholtze-Kin

Het zal zo omstreeks november 1902 zijn geweest dat mijn grootvader Martinus Cornelis Scholtze van Udenhout naar Rijen en Dongen vertrok om daar voor een jaarwedde van 400 gulden de post te gaan bezorgen. Een grote hutkoffer, welke nu bij mij boven staat, werd klaar gemaakt om zijn persoonlijke zaken in mee te nemen, om in Rijen in de kost te gaan. Alhoewel er toch een goede treinverbinding was tussen Rijen en Udenhout.
Hier in Rijen leerde hij Petronella (Pietje) Kin kennen een gegoede smidsdochter. Augustus 1905 huwden zij te Rijen voor wet en kerk alhoewel de familie Kin nogal wat bezwaren had, Tinus was maar amper goed genoeg. Zij hadden voorafgaande aan dit huwelijk een huis laten bouwen aan de Stationsstraat 86 (?) zonder hypotheek of papieren dak, dus echt vrij op naam, wat een weelde.
Te Rijen werden de volgende kinderen geboren:
27-05-1906 Adrianus Joannes Janus later fr. Martinez
12-03-1907 Anna Petronella Anna
27-04-1908 Petrus Antonius Piet
27-04-1908 Johannes Lambertus Jan
08-06-1909 Martina Johanna Tineke
16-09-1910 Petronella Isabella Pietje (?)
19-05-1913 Petrus Bernardus Piet

Als u goed kunt rekenen kunt u zien dat er binnen twee kalenderjaren vier kinderen werden geboren, wat een zorg zal dat geweest zijn, zonder de moderne hulpmiddelen van onze tijd.
Mijn moeder zei altijd de oudste moest nog twee worden en toen waren er al vier kinderen. Piet is na enkele maanden overleden en over Jan hoort u later meer. Tinus Scholtze werd spoedig ziek en kon zijn werkzaamheden bij de post niet meer volbrengen, daarom begon hij met het repareren van schoenen dat hij thuis kon doen er moest immers brood op de plank komen.
Mijn moeder vertelde tevens dat ze pas zeven was toen haar vader kwam te overlijden. Op 2 januari 1915 overleed inderdaad Martinus Cornelis Scholtze,
Naar ik meen aan een leverziekte.
Een nare periode was hieraan vooraf gegaan. Om aan te sterken waren reeds allerlei kosten gemaakt om betere en voedzamere middelen aan te kunnen schaffen. Natuurlijk waren er veel goederen schaars vanwege de oorlog 1914 – 1918. Ook verbleef Martinus vaak bij zijn zussen in Udenhout om de nodige rust te vinden en hierdoor kans op herstel. Zijn vrouw ging hem daar vaak opzoeken maar dan moest er oppas voor de kinderen zijn. – Als Tinus ter communie ging, dit maar enkele keren per jaar, dan zei hij dit ’s morgens tegen zijn vrouw en mocht er tegen hem niet meer gepraat worden. – Door zijn afwezigheid en verblijf in Udenhout kwamen de zorgen voor het gezin op moeders neer en op haar oudste dochter Anna.
Bij het overlijden van vader was er een hypotheekschuld van ƒ. 3000, — bij de familie Kin. Nu kwamen er pas echte zorgen voor Pietje Kin. Bij de begrafenis van vader hadden Anna en Tineke zwarte kleding aan gemaakt van een oude pastoorstoog, geld om iets te kopen was er immers niet.

Zoon Jan kon voor zijn zeven jaar niet lopen en lag nog steeds op bed. Met zijn zevende ging het beter en begon langs het bedje te lopen en zelfs te praten. Later ging Jan nog gewoon naar school en presteerde naar behoren. Zou hij in deze tijd zijn geboren (1975 -1995) dan zou het allemaal goed zijn gekomen volgens mijn moeder. Jan ging later nog wat werken bij zijn oom Jan Kuijl die een touwslagerij had en deed daar wat eenvoudige niet te zware werkzaamheden.
In de oorlogsjaren kreeg Jan tbc, een ernstige ziekte. Vanwege het oorlogsgevaar sliep de hele familie beneden in de huiskamer. Men gebruikte elkaars was en bedden- en wasgoed, onbegrijpelijk dat er niet meer mensen ziek zijn geworden. M’n moeder Anna Scholtze hield de ziekte van Jan geheim voor de Rijense bevolking, anders kwam er immers niemand meer in de winkel en zat ze zonder inkomsten. Jan is in 1943 overleden, kort voor zijn overlijden zei hij nog tegen zijn zus, “ik hou zoveel van jou”! hartverwarmende woorden om nooit te vergeten. Jeanne Put, de vriendin van Anna, wilde graag bij Jans sterven aanwezig zijn, maar dat gebeurt niet, anders vertelt ze het heel Rijen rond. Want Jeanne was een bebbel volgens mijn moeder.
Dochter Tineke leed aan vallende ziekte, epilepsie, waar in die tijd geen medicijnen voor beschikbaar waren, door de herhaalde aanvallen werd de situatie voor Tineke steeds erger. Ook zij is in de oorlogsjaren overleden aan tbc. Er werd een mooie grafsteen op hun graf geplaatst (van Jan en Tineke) welke later door een granaatscherf werd vernield, geld voor een nieuwe steen was er niet meer.

Zoon Janus (Adrianus) verbleef veel bij de tantes in Udenhout en wilde frater worden en ging hiervoor als 12 jarige naar de Ruwenberg, zodoende kon hij als oudste de zorgen niet meer met zijn moeder en zus delen. De tantes betaalden de kosten van zijn studie. Janus ging vaak naar de tantes om er in de vakanties te logeren, Udenhout trok hem meer dan de Rijen wat altijd zo gebleven is.

Zoon Piet was moeilijk in de omgang en zijn opvoeding viel zijn moeder erg zwaar, ook hij ging bij de fraters te Reuzel op school. Toen Anna , Piet eens mee naar de kerk nam of mee moest nemen kreeg ze te horen “ga toch met dat vervelend jong de kerk uit” en dit was nog wel tijdens de consecratie, Anna heeft haar broer Piet nooit meer mee naar de kerk genomen, dat werd voortaan moeders taak. Piet is het bakkersvak ingegaan en is later kok geworden op de vliegbasis te Rijen.

Om aan de kost te komen begon moeder Scholtze Kin een zetwinkeltje. Ze begon met de verkoop van schoenen voor Jean (of Janus) Boom uit Udenhout. Jean kwam iedere zondag vanuit Udenhout om de verkopen te controleren en de provisie af te dragen. De kinderen Scholtze gingen hem dan van de trein afhalen en kregen een cent om een snoepje te kopen. Later werd de winkel uitgebreid met wat pakken suiker en koffie. Ook werden er Buijs negerzoenen uit Oudenbosch verkocht evenals petroleum en speculaas. Om speculaas te verkopen moest Anna langs de deur om de bestelling op te nemen en later de speculaas weer heel af te leveren kapotte speculaas moest worden teruggenomen. Anna had een vreselijke hekel aan dat leuren langs de deur. Zus Tineke was hiervoor beter geschikt een Scholse of Kinse handelsgeest misschien.

Tante Tina uit Udenhout was benoemd als gezingsvoogdes en kwam zich met het gezin bemoeien ten goede en ten kwade. Toen Anna en Tineke op een zondag witte kousen aanhadden kregen ze een reprimande van de tantes die op bezoek kwamen. De kousen behoorden zwart te zijn, enkele weken later kwamen de tantes zelf met witte kousen naar de Rijen, Anna en Tineke mochten toen ook lichte kousen aan, maar de haren kort laten knippen bleef verboden.

Anna kon naar eigen zeggen goed leren op school en erg mooi schrijven. Zo mooi dat de zusters met haar schrift de school rond gingen om het in de andere klassen te laten zien. Ze had echter een probleem op school, ze praatte te veel, het gevolg was school blijven bij de zuster en een lange som maken die op 0 uit moest komen.
Toen Anna eens te Udenhout logeerde en een mooie halsketting droeg mocht natuurlijk iedereen deze ketting bewonderen. Mijnheer pastoor dacht daar kennelijk anders over. Bij het communie uitreiken zei hij; “Hoger gesloten
anders niet meer”.

Ook ging Anna werken bij de zusters van moeder Kin, weinig lovende woorden heb ik haar hierover horen vertellen. Hard werken, niet te laat komen, niet te vroeg weggaan en dank je wel zeggen. Ze werkte van zeven tot zeven voor
ƒ. 1.25 per dag. Tante kon haar erg vernederen, zodat ze huilend naar huis ging, gelukkig had ze een paraplu bij, zodat de dorpsgenoten haar tranen niet zagen.

Verschillende kinderen zijn al zeer jong overleden, zodat overbleven, Janus, Anna, Jan, Tineke en Piet.
Ze maakten ook nog een klein huisbrandje mee, Piet moest naar bed en kreeg de blaker mee naar boven met een brandende kaars. Na enige tijd stond de zolderbalk in brand en moest er geblust worden. Piet kwam in paniek naar beneden en zei dat er grote vlammen boven waren. Moeder Scholtze Kin ging van d’r eigen op z’n Brabants gezegd. De buren alarmeerden de brandweer die spoedig ter plaatse was met paard en kar. Als we later in Rijen logeerden moesten we altijd even naar die balk kijken. Ome Piet is levenslang als brandstichter (in de goede zin) geplaagd. Piet dronk ook graag een borreltje, maar op 1ste Kerstdag een borreltje drinken in het café vond moeder Scholtze Kin niet goed, Anna moest hem met een vriendin gaan halen en hij kwam mee naar huis.
26 september 1937 overleed moeder Scholtze Kin, naar ik meen aan een zware griep, mijn moeder vertelde me dat ze altijd de kraan lang moest laten lopen om zodoende haar moeder koud water te kunnen laten drinken.
Later (ca 1999) sprak ik Anna Kin een nicht van mijn moeder Anna Scholtze die zeer lovend sprak over haar tante Pietje. Ze probeerde altijd thuis weg te komen om bij Tante Pietje koffie te gaan drinken. Ze noemde haar een moedige, maar ook vrolijke tante waar het goed toeven was. Ook mijn moeder vertelde dat Pietje altijd opgeruimd was en niet zo zwaar op de hand als zijzelf was.

Maar nu stond mijn moeder alleen voor het gezin Scholtze Kin, Janus (frater Martinez) naar het klooster en Piet leefde uit een korf zonder zorg. Jan ziek, Tineke vallende ziekte, een zware opgave.
Intussen was ze ook verliefd geworden op een knappe Udenhoutse jongen, waarvan ze allang wist ik trouw met hem of ik trouw niet. Maar een huwelijk ingaan met twee gehandicapte kinderen wilde ze niet. Haar jongen (Kees) liep vanwege een polio aanval op z’n tweede jaar wat mank, de mensen in de Rijen zeiden daarom “maar Anna je kunt toch wel een betere krijgen”. Maar het is Kees van Iersel geworden!
Zoal u gelezen hebt zijn Jan en Tineke in de oorlogsjaren overleden en woonde Anna en Piet nog samen aan de Stationsstraat te Rijen.
Nu kon er getrouwd worden en wel op 2 maart 1943. Anna trouwde met Kees van Iersel uit Udenhout en ging in Udenhout bij de tantes wonen.
Piet trouwde op dezelfde dag met Annie Verheijen en nam het ouderlijk huis met de winkel over. Ze vierden feest in het café van de familie Kin naast het ouderlijk huis. Kees van Iersel had voor de nodige versnaperingen gezorgd en kwam met twee koffers vol etenswaren vanuit Udenhout per trein naar de Rijen.
Als hij gesnapt was, was de hele bruiloft niet doorgegaan. Alles was voor iedereen afgeteld, twee broodjes, twee plakjes beleg, voor de heren een sigaar en drie borreltjes enz. enz.
Om twaalf uur ging het café dicht en werden de festiviteiten voortgezet in de ouderlijke woning.

Sommen Leo van Iersel

0.

Vader koopt voor moederdag een bos bloemen voor ƒ. 2.75,

12 gebakjes à 85 ct. , een fles eau de cologne voor ƒ. 9.85.

Wat moet hij betalen?

1.

Een sportterrein is 150 m. lang en 80 m. breed. We lopen 5 rondjes.

Hoeveel meter leggen we dan af?

2.

De prijs van een mantel was ƒ. 250.-, Omdat er een foutje in zat, kreeg

Moeder 5% korting.

a. Hoeveel is de korting?

b. Hoeveel moet moeder betalen?

3.

Na de zesde klas kom je op een school waar je 5 uur en 30 minuten les krijgt en 1 uur en 3 kwartier aan je huiswerk moet besteden.

Hoeveel tijd besteed je per week aan je studie als je 5 dagen les krijgt en ook 5 dagen huiswerk maakt?

4.

F.C. Den Bosch (!) houdt precies bij hoeveel toeschouwers er komen per wedstrijd. Dat doet men op een grafiek. In de eerste week komen er 5000 toeschouwers, in de tweede week 4000, in de3 derde week 4500, in de vierde week 3500 en in de vijfde week 7000.

Hoeveel toeschouwers komen er gemiddeld per wedstrijd?

5.

Zakgeld ƒ. 3.–. Ijsje 40 cent.

Entree ƒ. 1.25.

Hoeveel houd ik over?

6.

Bij een sprint legt een wielrenner de laatste 200 meter af in 15 sec. Hoeveel km. Zou hij per uur afgelegd hebben als hij één uur met dezelfde snelheid gereden zou hebben?

7.

Het raam in de huiskamer is vier en een halve meter breed. Moeder wil er glasgordijnen voor kopen. Voor de plooien heeft ze de helft van de breedte nodig. De gordijnen kosten ƒ. 8.—per meter. Hoeveel moet moeder betalen?

8.

Een deur van 200 cm. lang en 90 cm. breed wordt aan beide zijden betimmerd met triplex. Je hebt nodig een stuk triplex van 200cm bij ……..?

9.

In een doos zitten 12 flessen van ¾ liter. Hoeveel liter is dat totaal?

10.

In een kist liggen in de lengte t blokken, in de breedte 4 blokken en in de hoogte 5 blokken.

a. Hoeveel blokken liggen er totaal in de kist?

b. Hoeveel blokken liggen er in de onderste twee lagen?

II

1.

Je bent verkoopster. Een klant moet ƒ. 21.38 betalen. Hij geeft een biljet van ƒ. 25.—Je geeft …gld, …kw, … dubb, …st.., etc.

(bij de centen beginnen)?

2.

Wij gaan vakantiewerk doen, 4 weken lang. De baas geeft ƒ.2.—per uur. Iedere week werken we 40 uur. Per week moeten we ƒ. 2.50 betalen aan de kantine.

a. Wat hebben we verdiend?

b. Hoeveel hebben we over na 4 weken.

3.

Hoeveel is 4×3 meer dan 4:3?

4.

Een werk kan door 6 mannen in 12 dagen gedaan worden. Om sneller klaar te zijn worden er 9 mannen aan gezet. Hoelang duurt het werk nu?

5.

Hoeveel is het produkt van 9 en 5 meer dan het quotiënt van 9 en 5?

6.

Een handelaar leent bij een bank ƒ. 7200.–. De bank rekent 5 ¼ % rente. Hoeveel moet hij betalen na 5 maanden?

7.

De afstand DEN BOSCH – EINDHOVEN is 30 km. Een trein haalt een gemiddelde snbelheid van 90 km. per uur. De trein vertrekt om 14.30 uur uit DEN BOSCH. Hoe laat is de trein in EINDHOVEN?

8.

De omtrek van een stuk grond is 76 m. De breedte is 9 meter.

a. Hoeveel is de lengte?

b. Hoeveel is de oppervlakte?

9.

Een wijnhandelaar koopt 600 flessen wijn in voor ƒ. 3.50 per fles. Hij wist bij de verkoop 20% te verdienen. Wat kost een fles wijn bij de verkoop?

10.

Piet rookt drie pakjes sigaretten per week. Eén pakje kost ƒ. 1.75.

Hoeveel kan Piet in één jaar sparen, als hij stopt met roken?

III

1.

Jan mag zijn fiets opknappen. Hij koopt twee buitenbanden van

ƒ. 7.56 per stuk. Een fietslamp van ƒ. 12.35. Een potje lak van ƒ. 3.75 en vier remblokjes van ƒ. 0.65 per stuk. Hoeveel moet Jan betalen.

2.

Een televisiehandelaar heeft 10 kleuren t.v. toestellen gekocht voor

ƒ. 15.750.– . Hij verkoopt één toestel voor ƒ. 1895.—per stuk. Hoeveel verdient hij aan één toestel?

3.

Welk deel van hele figuur is aangegeven door het stukje met het vraagteken?

Jeugdherinneringen Martien van Iersel

1948 – 1969

Jeugdherinneringen.

Het is goed om de tijd die achter je ligt vast te leggen. Misschien voor jezelf, voor degene die na je komen, of uit historisch oogpunt.  Ik stel me even voor Martien van Iersel, zoon van Kees (Cornelis Arnoldus)van Iersel en Anna (Anna Petronella) Scholtze, ik ben geboren te Udenhout 25-08-1948, de gehele familie van Iersel was te Udenhout, waarschijnlijk i.v.m. het overlijden en de begrafenis van tante Han, Johanna van Iersel wonende te Huikelom begraven te Oisterwijk 27-08-1948. Zo zie je dat de dood en het leven erg kort bij elkaar liggen.  Ik was het vierde kind van bovengenoemde ouders, Mari, Nel en Leentje waren me voorgegaan.  Ik schrijf niet helemaal in chronologische volgorde maar meer zoals het in me opkomt.

Een van m’n jongste herinneringen of moet ik zeggen oudste herinneringen, was naar mijn gevoel op een zondagmiddag, onze pa moest plotseling naar de tantes (Tina en Ant Scholtze) die tegenover ons woonden, omdat er iets gebeurd was, iets ingrijpends. Tante Tina was overleden. Ik meen me nog te herinneren dat onze pa weleens met tante Tina door de kamer ging lopen dit ter voorkoming van stijfheid. Ik meen ook nog te weten dat de tante’s in de achterkamer (huiskamer) zaten, ieder in een luie stoel, bij de kachel. Tante Tina in een rode pluche  stoel, Tante Ant in de andere aan de achterkant van de kamer. Tante Tina dus aan de voorzijde van de kamer. De tante’s woonden evenals wij in de Kreitenmolenstraat zij op 101, wij op 108. Ik meen me te herinneren dat de tantes ieder in eerder genoemde stoel gezeten hun boekhouding bijwerkten tante Ant met allerlei losse bonnetjes en tante Tina die alles opschreef. Of dit met nieuwjaar was? Weet ik niet meer zeker. Kan het eigenlijk ook niet weten gezien de overlijdensdata van Tante Tina. Tante Ant klopte met de pook op het raam als zij ons moeder nodig had, wij konden dit binnen horen, een afstand van 15 tot 18 meter? Later kom ik nog op de tantes en de fam. Scholtze terug.

Personen die indruk op me maakten in mijn eerste jeugd.

Opa

Hierbij zeker te noemen opa van Iersel, Sjef of voor de burgerlijke stand Josephus van Iersel. En natuurlijk ook tante Door een stiefdochter van opa. (zie kalender scouting Udenhout 1998) Opa overleed in 1956, na een welbesteed leven bijna 90 jaren oud.  Op zijn bidprentje stond; vreugde en verdriet hebt Gij wonderlijk dooreen gestrengeld. Mijn vader zei me, zeg maar dag tegen opa, die naar ik meende lag te slapen in de opkamer (was in coma). Ik zeg dag opa maar kreeg geen antwoord, hetgeen me zeer verbaasde en teleurstelde. Ik heb me hier als kind lang over verwonderd (kwaad gemaakt). Opa was altijd hartelijk en vriendelijk en nu dit.

Tante Door was schooljuffrouw, woonde bij opa en oma in, of andersom, en was een stiefdochter van hem. Ze had alles in zich om als jonge jongen tegen op te kijken. Soms dacht ik dat ze een levende heilige was. Had mooie spulletjes in haar voorkamer, meubeltjes met rood fluweel en fragiele pootjes. Je durfde er bijna niet in te zitten. Ze was in Lourdes geweest, Maria vereerster en erg vroom. Naar ik meen heeft zij het Mariabeeldje in een klein kapelletje aan het eind van de Slimstraat hoek Kuil laten plaatsen. Was vaak ziek en erg broos van gezondheid. Ik denk dat ze een vrolijke aard had en zei altijd ha dikke tegen me, ik noemde haar dan de dunne. Met Sinterklaas mochten we de klomp zetten en deze goedgevuld weer uithalen. De kinderen van ome Piet te Hoorn kregen de klomp per post, de kinderen van ome Leo kwamen ‘s-middags de klomp uithalen. 6 december was mede dankzij tante Door een groot feest. Later hebben tante Lien en oma van Heesch dit overgenomen. Er lag altijd een appel klaar met daarin guldens en rijksdaalders gestoken. Tante Door heeft ook de mat (sierkleed) gemaakt die lag bij de ingang van het priesterkoor van de Lambertuskerk. Hij lag voor de ingang tussen de communiebanken.

Zo’n goede bekende voor ons was ook Tinus Mutsaerts, naar ik altijd gehoord heb een kasteleinszoon, die voldoende geleerd had om secretaris van de gemeente Udenhout te kunnen worden, maar vanwege z’n afkomst nooit secretaris is geworden. Een persoon van meer aanzien maar met minder capaciteiten kreeg de baan. Hij had ’n porselein winkel, hij verkocht in ieder geval kop en schotels en huishoudelijke artikelen. Hij was erg precies, als we bij hem eens een postzegel moesten halen dan behoefde hij het licht in de achterkamer niet aan te steken. Hij kon op de tast het goede bureaulaatje openen, het goede doosje pakken en de postzegel eruit halen.

Mari en ik moesten hem ook altijd helpen met kersen plukken, onder het kersen plukken mocht je geen kers opeten, je pakte dan immers iets dat niet van jou was. Deed je goed je werk dan kreeg je enkele emmers vol kersen mee naar huis, had je echter van de kersen gegeten onder het plukken dan kreeg je niets mee. Tinus Mutsaerts schreef evenals mijn vader voor enkele kranten van den Bosch en of Tilburg. Als Tinus rondfietste en een mangelpee of biet vond die van een boerenwagen was gevallen, dan raapte hij deze op, om bij mijn vader te brengen als konijnenvoer.

Tinus had naast het huis ook een rij paarse Seringen, met heel veel zorg knipte hij daar de bloemen uit om zo nu en dan weg te geven. De latere bewoners rooiden de hele boel, Tinus moest eens weten! Naast Tinus woonde twee zussen van hem als ik daar achterom eens binnen ging dan vond ik het daar altijd donker, een beetje angstig voor mijn gevoel.

G.B.J. Hiltermann.

G.B.J. Hiltermann kwam altijd op zondag middag bij ons op visite, via de radio natuurlijk. Hij besprak “de toestand in de wereld”. Altijd op zondagmiddag tijdens het diner.  Ja op zondagmiddag aten wij altijd wat deftiger dan door de weeks, met het goeie servies en altijd drie gangen, soep, vlees met groenten en aardappelen en een toetje.  Tijdens de beschouwing van de heer Hiltermann moesten wij altijd stil zijn en onze mond houden. Want wat de heer Hiltermann vertelde moest gehoord worden, hij vertelde wat er gebeurt was en wat de gevolgen hiervan zouden zijn voor de toekomst.

’t Stofjaske.

’t stofjaske moet er even tussendoor. Mijn vader die kleermaker was maakte voor mij altijd een stofjasje. Dit jasje moest aangedaan worden om mee te spelen. Het was een, naar ik mij herinner, een stijf kaki stofjasje, zoals ook Tiest van Kuijck in de winkel droeg. Het jasje op zich was niet verkeerd, maar wij waren de enige die het aan hadden. Je had toch liever een overal zoals de andere buurjongens. Misschien had Jan Lommers ook wel zo’n  jaske, ik weer ’t niet meer. Ik had er in ieder geval een hekel aan.

Brombeer.

Hier past qua leeftijd ook wel het verhaal van de brombeer bij. Met St. Nicolaas kreeg ik een brombeer, waar ik op dat moment vreselijk bang van was, hij moest boven op het sigarenkastje gezet worden. Toen ik er aan toe was om mee te spelen was hij onafscheidelijk. M’n vader maakte herhaaldelijk een pakje op maat voor hem of gaf hem nieuwe voetzolen. De operaties van mijn broer Mari waren te heftig, die overleeft ook een brombeer niet.

Politiek.

Mijn eerste politieke ervaring was wel de opstand in Hongarije van 1956, Hongarije probeerde zich te ontworstelen aan de Russische overheersing, wat eindigde in het bloedig neerslaan van deze opstand. Duizenden zo niet tienduizenden Hongaren ontvluchtten het land naar West Europa, zo ook naar Nederland.  Ik denk via de school werd een inzameling  van lekkers gehouden voor de kinderen die met de trein naar Nederland kwamen. Je kreeg kartonnen doosjes die je mocht vullen met snoep. Ik dank dat het doosje een inhoud had van een halve liter.  In mijn herinnering heb ik hiervoor erg mijn best gedaan en twee doosjes gevuld. Later kwam er in de Taptoe een serie verhalen over dit gebeuren onder de titel van “Vlucht uit Boedapest”. Zo werd je nog meer betrokken bij dit gebeuren. Ook de opstand in Algerije tegen de Franse overheersing heb ik meegekregen, een bloedige opstand met veel slachtoffers onder leiding van Ben Bella. Ook dhr. Hiltermann  vertelde hier vaak over in zijn wekelijks praatje op de radio.

Frater Louis.

Een andere persoon om tegen op te kijken was frater Louis, onderwijzer van de eerste klas. In mijn ogen ook een heilige, had waardering voor al zijn leerlingen, vooral voor de zwakkeren. Welke hij evenzo beloonde als de uitblinkers. Hij had een soort beloningssysteem met kruisjes, als je iets goeds deed kreeg je een kruisje op het schoolbord en bij tien kruisjes een prijsje. Iedereen deed weleens iets goeds in zijn ogen, zodoende kreeg iedereen ook wel eens een kruisje en een prijsje. Hij deelde ook halve kruisjes uit. In de herfst namen we weleens een stukje fruit voor hem mee, een appel of een peer. Hij wist zoiets met de hele klas te delen. Hij haalde een mooi zilveren mesje uit zijn zak en wist zo de peer met de hele klas te delen. Iedereen kreeg wat, soms waren de schijfjes zo dun, dat je er bijna doorheen kon kijken, maar niemand werd overgeslagen. Er waren wel een vijftig eerste klas leerlingen. Iedere morgen werd er een mooie plaat op het bord gehangen, met hierop een Bijbelse voorstelling. Hij vertelde dan mooie verhalen over Jezus en zijn apostelen. Spannende verhalen, ik denk weleens dat hier de grondslag ligt voor mijn gelovige levenshouding.

Meester de Leeuw.

De tweede klas was naar ik meen bij meester de Leeuw, ook tegen hem keek ik op, naar mijn gevoel nu een man met kwaliteiten. (Een oud priesterstudent?) In de 2de klas kwam ook de kapelaan al les geven, ik meen Simons of van Lierop, een uurtje godsdienstles in de week. Ik herinner me dat hij vertelde over een klokkengieterij.

Frater Gerold.

De 3de klas was een rampjaar, frater Gerold, totaal ondeskundig. Geen onderwijzer, eerder een bullebak. Met zes tot acht jongens bleven we dan ook zitten en frater Gerold werd overgeplaatst. Hij sloeg altijd met zijn vuisten op de banken, hebben daar niet eens een punaise neergelegd?

Meester van der Westen.

De 3de en 4de klas doorgebracht bij meester van der Westen. Streng, rechtvaardig, hield orde met tucht. Je kon een draai om je oren krijgen, of een zeer stevige kneep in je bovenarm. Maar toch voelde ik me niet onprettig bij hem, je wist waar je aan toe was. Hard werken en je best doen. Later heeft hij mij nog bijles gegeven in ontleden, dit had je nodig om goed Duits te kunnen leren, naamvallen en lijdende en meewerkende voorwerpen e.d. Als tegenprestatie maakte mijn vader korte broekjes voor zijn jongens.

Potloodpunt.

Het gebeurde in de klas van meester van der Westen, dat mijn klasgenoot Hans R. die achter mij zat mij met een potlood in de schouder stak. Enkele dagen later werd ik ziek en kreeg hoge koorts. Men wist in eerste  instantie niet wat ik mankeerde, totdat men een ontsteking zag in de schouder. De punt van het potlood was afgebroken en in de schouder blijven zitten met een heftige ontsteking als gevolg. Huisarts P. van Keep heeft de punt deskundig verwijderd, waarop een snel herstel volgde.

Een vriend.

Een vriend in deze tijd was Jan van de Ven van de Berkelseweg. Ik kwam bij hem en hij bij ons thuis. Veel herinner ik me hier niet van. Een rustige jongen, een rustige vriendschap die ik altijd onthouden heb. Als je een vreemde vriendje meebracht of ergens voor de eerste keer kwam dan was de vraag: Van wie zedde gij d’r ene? Van van Iersel!, Van welke van Iersel?, Van Kees van Iersel!, Van Kees van Iersel? Van de kleermaoker?, Ja van dé kleermaoker! En dan was ’t goed as ze mar wisten van wie je d’r ene was.

Frater Alberto.

De vijfde klas was een bijzondere klas, klas 5,6,7 en 8 bij elkaar. De oudere jongens gingen met hun 14 jaar werken en zaten in deze combinatieklas hun schooltijd vol te maken. Frater Alberto de onderwijzer was groot en fors van gestalte. Als kind zag ik tegen hem op en was een beetje bang van hem. Maar voor mij was hij erg gemoedelijk. De oudere jongens werden met harde hand of met het bamboestokje geregeerd. Frater Alberto alias d’n bieboer was al een wat oudere onderwijzer, misschien wel op het eind van zijn loopbaan. Hij las veel verhalen voor en liet ons veel (na)tekenen. Ik vond hem altijd meer een frater voor de boerenjongens.  Als de houten boardplaten voor de ramen gezet werden, wist je hoe laat het was, film kijken dus. Dit gebeurde bij frater Alberto ook meer dan bij de andere onderwijzers. Als je geen 6 voor schrijven had moest je nablijven en schrijfoefeningen doen. Sommige jongens wel het hele schooljaar, minder dan een zes voor schrijven was nablijven. Daar hoefde niet over gesproken te worden. Een muis die regelmatig door de klas liep schoot hij met de luchtbuks dood.

Mulders vangen

Ook dit verhaaltje past hier wel gezien m’n leeftijd op dat moment. Mulders of meikevers werden gevangen als de beukenheg zo’n beetje vol in blad stond, zo van dat malse voorjaarsblad. Je moest dan flink met de heg schudden en de mulders vielen er dan uit. Koos van Delft was expert mulders vangen. Hij ving ze ook uit de grond. De mulders kwamen uit de grond door zich naar boven uit te graven, bij dit uitgraven ontstond er een hoopje zand. Als je nu met een zakmes dat hoopje zand oplichtte dan kon je de nog jonge mulder vangen. De mulders werden in weckflessen gedaan met vers beukenblad. Ook was het gebruikelijk, niet bij iedereen, om de mulders een dun draadje aan het pootje te binden. Je zong dan, mulderke, mulderke, telt oew geld en goa dan toch ‘ns vliegen. En jawel als je lang genoeg zong ging de mulder wel eens vliegen. Door het draadje aan zijn pootje bleef hij rondjes vliegen al naar gelang de lengte van het draadje.

De meester buiten sluiten.

Op 3 juli (3 juli is nog een ?) het feest van de ongelovige Thomas werd de onderwijzer buiten gesloten. We probeerden nog voor de meester in de klas te komen en hielden dan met een aantal jongens de deur van de klas dicht. Hij mocht pas naar binnen als hij beloofde veel voor te lezen en ons die dag veel te laten lezen. Na gedane belofte mocht hij naar binnen en hadden we een leuke schooldag.

Ter informatie van wikipedia:. Ook op andere plaatsen in de wereld werd aandacht besteed aan de dag van Sint Thomas. Zo werd de dag van Sint Thomas in België ook wel ‘Sluiterkesdag’ genoemd. Op deze dag sloten kinderen hun leraren en werknemers hun werkgevers buiten de deur, en lieten ze pas weer binnen wanneer de werkgevers of leraren hadden getrakteerd of op een andere manier een tegenprestatie leverden.

Schaatsen.

Schaatsen was er bij ons thuis niet bij, het werd in ieder geval niet gestimuleerd. Waarschijnlijk omdat de broer van mijn vader Harrie van Iersel met schaatsen op de Leemputten verdronken was. Wilde je in november gaan schaatsen en vroeg je dan om schaatsen dan was het antwoord vraag deze maar met St. Nicolaas. Met St. Nicolaas wilde je vaak weer wat anders of je werd naar iets anders toegepraat. Het was in ieder geval zo dat Sinterklaas nooit schaatsen bracht. Wilde je daarna in januari/februari gaan schaatsen dan was het antwoord steevast, ja dan had je met Sinterklaas maar schaatsen moeten vragen. Toen ik een jaar of twaalf was kwam de familie Kouwenberg naast ons wonen, de kinderen daar konden allemaal goed schaatsen, zo ging ik weleens met Jos mee, maar het was maar een beetje stuntelen op die botjes.

Dodenherdenking.

Ook in Udenhout werden op 4 mei de slachtoffers van de tweede wereldoorlog herdacht.  Men liep dan vanaf het kruispunt naar het Mariakapelletje aan de Schoorstraat. Het was best een lange stoet, vooraan het hoog van ’t dorp en de direct betrokkenen.  Verder naar achteren de rest van het volk, waarschijnlijk niet allemaal echt betrokken of geïnteresseerd. Twee keer heb ik ook meegelopen, maar ik ergerde me vooral aan de luidruchtige en vrolijke klanken achter uit de groep, dat je toch niet zo’n herdenking! Ik begreep toch niet waarom de namen van de slachtoffers niet in het centrum van het dorp te vinden waren.

AaBe dekens.

Dat was ook wel iets speciaals in Tilburg aan de Heuvel de etalage van de AaBe dekenfabriek. Een hele grote etalage met een hele grote ruit ervoor met daarin een winterlandschap met een arrenslee, rendier en Eskimofamilie. Daar kon je als kleine Udenhoutse jongen toch van genieten als we op de bus stapten terug naar Udenhout.

Een tussendoortje.

Mijn vader riep altijd, Martien ken je plicht, lampen uit en deuren dicht.

Motorcross.

In Udenhout was op 2de Paasdag (?) altijd een motorcross in de duinen bij hotel restaurant Bos en Duin. Toen ik zo’n 10 – 12 jaar was mocht ik met ome Piet Scholtze mee naar de cross. Bij hem achter op de brommer. Op de brommer was al een avontuur maar de motorcross nog meer. De herrie en het geweld overweldigde me zo erg dat ik blij was om naar huis te kunnen. Ik heb de motorcross dan ook nooit meer bezocht.

Botsautootjes.

Op de Udenhoutse kermis op de ploegwei, waar nu de Eikelaar staat was het kermisterrein. En natuurlijk ook de botsautootjes. Ik wilde hier als kleine jongen natuurlijk in. Mijn vader was wel zo goed om er met mij in te gaan. Veel plezier heb ik er niet aan beleefd. Ik stootte flink mijn hoofd door de botsingen en de lol was snel over. En mijn vader had nog wel zijn arm om mij heengeslagen.

Voetje tussen de rails.

Ome Piet Scholtze en tante Annie woonden in de Rijen, zeg niet Gilze en Rijen. Dus we gingen daar nog weleens heen, met de bus naar station Tilburg en met de trein verder. Mijn moeder, een Rijense, was altijd trots op de Rijen, als ze al die hoge fabrieksschoorstenen zag staan. Toch een teken van bedrijvigheid en welvaart. Maar nu over dat voetje, als we uit de trein stapten kwamen we langs de overweg van het perron. Om daarover heen te kunnen lopen lagen er betonnen blokken tussen, maar wel zo dat de rails nog vrij lag. Je kon nu tussen die betonblok en de rails je voet er tussen steken. Dat er tussen steken was niet zo moeilijk, maar die voet ertussen uit krijgen was moeilijker.  In mijn herinnering kon de trein hierdoor niet vertrekken.

Frater Johan Baptist.

Omdat ik naar de mulo in Oisterwijk wilde, ging ik in de zesde klas naar frater Johan Baptist, Een driftige onderwijzer, jeugdleider bij de voetbalclub R.K.SSS en de wandelsportvereniging. Tijdens een wandeltocht met Koninginnedag misten we een prijs omdat frater Johan Baptist zo liep te mopperen op de jongens en meisjes van de groep. Je behoorde natuurlijk mooi in de maat en in de rij te lopen. Je kreeg hier al bijles in Frans en wat wiskunde ter voorbereiding op de mulo. In de zesde klas deed je ook je Plechtige Communie (hernieuwing van de doopbeloften). Ik kom hier later nog op terug.

Godsdienstonderwijs op de Mulo.

Op de Mulo te Oisterwijk kregen we ook stevig Godsdienst onderwijs. Dit onder leiding van je klasse leraar o.a. liturgie en Bijbelse geschiedenis. De catechismus kreeg je onder de deskundige leiding van de Oisterwijkse kapelaan Maas. Hij schreef een bord vol met moeilijke vragen en nog moeilijker antwoorden, die je van buiten diende te leren. Je deed eerst Godsdienst examen en daarna pas het Mulo examen. Later hoorde ik dat kapelaan Maas een neef was van tante Lea van Iersel Ebben.

Fietsen naar de Mulo.

De hele Udenhoutse meute ging op de fiets van Udenhout naar Oisterwijk. We fietsten natuurlijk zo hard als we konden. Vooral de eerstejaars werden op deze manier uitgetest, je moest zorgen om bij te blijven, anders was je niet in tel. Voorop fietsen was natuurlijk voor een jong broekje het allermooist. Later fietsten we ook als gekken tussen de middag naar huis om daar ons brood op te eten. We kwamen ’s morgens bijeen bij sigarenmagazijn van Kempen aan het eind van de Kreitenmolenstraat. Als de spoorbomen dicht waren (handbediend over de hele straatbreedte) dan gooiden we deze zelf wel open om er snel onder door te glippen. De N.S. of Mw. van Kempen van het sigarenmagazijn belde naar de school te Oisterwijk en de directeur Fr. Egberts stond ons al op te wachten om ons een reprimande te geven.  Ook kwamen we onderweg jongens tegen uit de omgeving die naar de Udenhoutse landbouwschool gingen. We riepen altijd tegen die jongens, vaak scheldwoorden natuurlijk. Een enkele keer vielen er klappen want die boerenjongens pikten niet alles van die muloventjes. Ook fr. Egberts wist hiervan, zodat de hele Udenhoutse groep weer bij hem op het matje moest komen.

Zwemmen en naar Oisterwijk fietsen.

Voor het zwemmen gingen wel eens naar het Staalbergven te Oisterwijk. Dat zwemmen was het probleem niet, maar dat oversteken bij Quatre Bras. Een destijds tweebaansweg tussen Den Bosch en Tilburg. In mijn moeders ogen hartstikke druk, een niet te nemen hindernis, haar zenuwachtigheid bracht ze waarschijnlijk ook op mij over zodat oversteken voor mij ook een ramp werd. Onze pa moest dan commando geven om over te steken. Ja nu, als we dan een rijbaan hadden overgestoken draaide mijn moeder wel eens om en ik dus ook. Daarna moest je die drukke Gemullehoekenweg in Oisterwijk nog nemen, ook een hindernis op zich. Natuurlijk ook weer op de terugweg. Het zwemmen op zich was wel aardig, onze pa zwom goed dus je kon met hem wel het water in. Er was een jongens en meisjeskant, dus er werd niet gemengd gezwommen. Om dit gemengd zwemmen te voorkomen was er een flinke afscheiding geplaatst. De grotere  jongens  die al een meisje aan de andere kant hadden zwemmen, zetten een badmuts op om onder de afscheiding door te zwemmen. Ze moesten dan wel de hele tijd tot schouderhoogte onder water blijven om niet betrapt te worden door de badmeester, die onverbiddelijk was en overtreders het zwembad uitstuurde.

Vissen

Vanwege mijn oorklachten en gaatjes in mijn trommelvliezen was zwemmen voor mij verboden door de dokter. En wat je niet mag wilde je natuurlijk met aller geweld toch doen, tot verdriet van je ouders. Om toch aan het water te zijn werd het vissen. Mijn vader en verdere familie waren geen vissers, hielden er niet van en wisten er niets van. Dus dat vissen was maar een moeilijk gebeuren. Een hengel, een snoer, een dobber, wat draad, een angeltje en wat aas waren de benodigdheden. Maar hoe alles in elkaar gezet moest worden was mij een raadsel en voor m’n vader ook. Gelukkig was buurman Huib van Delft een verwoed visser en wilde hij me wel wat leren. Maar we kwamen niet zoveel bij van Delft, maar nood breekt wet. En Huib hielp me wel, maar in mijn ogen was hij al zo oud. Ik ging vaak en vroeg vissen bij de Leemputten, het alleen zijn beviel me niet zo, maar meestal waren er wel andere vissers. Vaak werd er door mij niets of heel weinig gevangen. Als ik dan naar Udenhout terug fietste en ze vroegen me heb je wat gevangen dan riepen we broekpaoling. Hans Leermakers ging weleens mee. Op een morgen heb ik 16 zeelten gevangen. Er was een Tilburgse vader met een zoontje bij zich van mijn leeftijd die ook aan het vissen was. Met zijn hulp, aanwijzingen en visvoer lukte het wonderwel. Zestien stuks vis konden mee naar huis, of ze daar blij mee waren, ik denk van niet.

Kleermaker worden.

Ik wilde natuurlijk ook kleermaker worden evenals mijn vader, je kwam eigenlijk niet veel met andere beroepen in aanraking. In ieder geval niet met beroepen die me aantrokken. Kleermaker leek me dus wel wat. Ik mocht zodoende wel eens helpen in de kleermakerij met het omsingelen van broekpanden. Dit is de buitenkant van het pand met een zigzagsteek omstikken. Ook mocht ik wel eens mee naar Lakenhandel Rikken aan een van de Amsterdamse grachten. Je voelde je dan heel deftig in zo’n Amsterdams pand waar je vader als een zakenman werd ontvangen. Het zelfstandig kleermaker worden werd in Amsterdam al afgeraden vanwege de grote opkomst van de confectie. We gingen hierna  ook weleens naar Antoon Haen een bakker aldaar die samen met oom Harry van Iersel door het ijs van de Leemputten was gezakt. We gingen ook weleens naar Nijmegen naar de fa. en de fam. Maussen. De fa. Maussen was een stoffen en forniturenhandel, ze woonden aan de St. Annastraat. We mochten daar weleens mee eten, leek ook allemaal even deftig en sjiek.  Ik hield ook weleens een opening van de kleermakerij en maakte dan boven een winkeltje met mijn vaders spullen. De opening ging gepaard met een echte receptie, met koek en koffie. Hartstikke leuk dat dit mocht en kon bij huize van Iersel.

Rijksmuseum Amsterdam.

Als ik met mijn vader in Amsterdam kwam (zie elders) dan gingen we ook weleens naar het rijksmuseum en bekeken daar natuurlijk de Nachtwacht. Maar soms had ik meer interesse in de buitenkant van het museum. En keek dan door de ramen naar buiten. En voor die ramen zaten van die mooie draden, gelijkend op gitaarsnaren. Zou daar ook muziek uitkomen? Even proberen dan maar, nee geen muziek, maar wel een boze suppoost. Het waren draden voor de beveiliging, dus niet om mee te spelen.

Kaarten.

Na de dood van opa en tante Door en de boedeldeling aldaar hadden we veel  stokken kaarten. Mari en ik deden dan Amerikaans jokeren in de waranda (serre). We hadden dan de hele waranda vol liggen met uitgelegde kaarten.

Asperges eten in Nieuwkuijk.

Ik zal een jaar of acht geweest zijn toen ik met ons moeder en tante Ant Scholtze naar Nieuwkuijk mocht, naar Net van den Oord. Net van den Oord en tante Ant kenden elkaar van het werk op het postkantoor. Het zal wel op een zondag zijn geweest. We bleven daar ook warm eten aan een keurig gedekte tafel. We kregen aspergesoep, een ware delicatesse, maar Martientje lustte geen aspergesoep tot verbazing van alle tafelgenoten. Tante Ant zal wel gemopperd hebben, ook de asperges daarna bij de aardappels beliefde ik niet. Volgens mij hadden ze bij van den Oord een schildersbedrijf en woonde er in hetzelfde huis of er naast ook een jong gezin met kinderen.

Bommels konte en de complimenten van ons papa.

Als onze pa een boodschap ging doen wilden wij natuurlijk wel weten waar naar toe, zijn antwoord was dan, als wij niet mochten of hoefden te weten waarheen, naar  Bommels konte. Verder vragen was dan overbodig. Moesten we voor hem een boodschap doen, dan moesten we vooraf aan de boodschap altijd zeggen, “met de complimenten van ons papa” en dan de boodschap pas. Ik heb dit woord, complimenten, heel lang niet begrepen en vond het dus maar een rare manieren van zeggen.

Sierduiven.

Ik heb ook enkele keren sierduiven gehouden, ik weet niet meer waar de eerste duiven vandaan kwamen, maar wel dat ze in een hok zaten tegen het kleermakerij gebouwtje aan. En ook  ze herhaaldelijk eieren legden en deze ook uitbroedden. Om de hoeveelheid duiven te beperken haalden we de eitjes maar uit om er een spiegelei van te maken. Toen ik wat ouder was, deed ik stage bij het hoveniersbedrijf BTL te Haaren. En werkten toen ook bij Huize Gerra te Haaren aan de Bosscheweg, een klooster voor zusters. De tuinzuster had ook sierduifjes en wilde er best een paar missen. De duifjes gingen mee naar huis, en er werd een hok getimmerd en op een grote paal gezet. Na zo’n zes weken ging het hok open en de duiven naar buiten, maar helaas ze kwamen niet meer terug op het hok. Plotseling waren de duiven verdwenen, wist ons moeder hier meer van? Maar Huize Gerra was dichtbij en de nieuwe duiven dus ook. Maar het hiervoor beschrevene gebeurde opnieuw, niet terug op het hok maar wel op het raamkozijn van buurvrouw Kouwenberg, en de boel vol schijten.  Maar buurvrouw Kouwenberg klaagde niet en waste braaf iedere zaterdag het kozijn af. Hulde hiervoor ze gunde mij het plezier van de duiven.

De Lamoentjes.

De Lamoentjes  waren voor mij interessante mensen, ik wist dat mijn vader daar bevriend  mee was. Het waren stoere brede forse mannen, Willem en zijn broer, er was ook nog een zus in huis. Volgens mij alle drie ongetrouwd. Als je om twaalf uur en om half vier uit school kwam was er altijd activiteit in de smederij. Buiten werd in de hoefstal vaak een paard beslaan en binnen gloeide het smidsvuur in de toch wel wat donkere smederij. Dit donkere, het vuur en het slaan met de hamer op het te smeden ijzer had toch iets geheimzinnigs voor een jonge jongen.

Enkele Udenhoutse fraters.

De Udenhoutse jongens konden niet om de fraters heen, je kwam ze  in bijna alle lagere school klassen tegen als onderwijzer. Maar ik wil hier toch frater Cleophas noemen, ik ken hem alleen als een oude man die vaak de H. Mis in de parochiekerk bijwoonde. Ondanks zijn oude vermoeide lichaam knielde hij altijd op twee knieën als hij de kerkbank in en uitging ter eren van Onze Lieve Heer. Ik heb me toen voorgenomen om ook te blijven knielen zij het dan op een knie. Een andere frater was frater kok, zijn kloosternaam ken ik niet. Hij was kok en portier en deed de boodschappen voor het fraterhuis. Hij nam echter nooit een tas of zoiets mee. Hij ging altijd naar bakker Besselink in zijn grote witte schort. De boodschappen werden in de grote schort gedaan en bij de punten vastgepakt. En zo ging frater kok weer op huis aan.

Kabouterverhaaltjes.

Ons Nel was heel goed in het vertellen van kabouterverhaaltjes. Als we ‘s-avonds naar bed gingen gebeurde het vaak dat we even bij ons Nel in bed kropen, om weer een nieuw  verhaaltje te horen. Dat was voor ons Nel niet zo moeilijk ze zoog ze zo uit haar duim.

Een kapotte broek en een leugentje om bestwil.

Op een middag  kwam ik met een kapotte broek thuis, hier was mijn vader niet zo blij mee, ook al was hij kleermaker van beroep. Nu hadden ze bij schildersbedrijf twee hondjes die altijd blaffend achter je aanrende als je langs fietste. Dus ik vertelde tegen mijn vader dat ik gevallen was door die meerennende hondjes. Ik was echter gevallen bij Huub Boom voor de winkel, hoek Slimstraat van Heeswijkstraat. Het terrein voor de winkel was met grind bedekt en daar was ik op uitgeschoven.  Maar nu begint het verhaal pas, mijn vader ging naar de fam. de Ruijter en vroeg om schadevergoeding. De fam. de Ruijter vergoedde de schade en alles was weer pais en vree. Maar voor mij natuurlijk niet, gewetensnood klaagde aan mijn katholieke moraal van eerlijk zijn. Ik heb het nooit aan iemand vertelt, maar wel vaak aan terug gedacht, aan dat leugentje om bestwil.

Correspondent.

Ja, mijn vader was plaatselijke correspondent voor de krant. Hij stuurde Udenhoutse nieuwtjes door naar de Tilburgsche courant. Zoals eerste mulder gevangen te Udenhout of over een schoorsteenbrandje enz. Ook maakte hij verslagen van de gemeenteraadsvergaderingen. Eerst de vergadering bijwonen, vlug naar huis om het verslag te schrijven en dan nog even posten. Dit posten ging via de Zuid Ooster bus. Je moest daarvoor naar de bushalte, en de envelop met inhoud aan de chauffeur afgeven. Op de stations in ‘s-Hertogenbosch en Tilburg hadden de kranten speciale brievenbussen voor deze dienstenveloppen. Het gebeurde eens dat iemand van de gemeente (burgemeester?) zijn beklag kwam doen omdat het raadsverslag in de krant niet klopte, voor en tegen waren door de krantenredactie verwisseld. Maar Kees van Iersel trof geen blaam, hij had alles juist ingestuurd, een kopij gemaakt met carbonpapier vertelde de waarheid. Het werken voor de krant was geen vetpot, voor elke geplaatste regel in de krant werd vier cent uitbetaald. Hadden ze van een raadsvergadering maar tien regels geplaatst dan leverde een hele avond werken slechts veertig cent op.

De postzegelclub “De Jonge Filatelist”

Ja, die postzegel speelde een grote rol in mijn vaders leven. Hoe mijn vader met postzegels verzamelen is begonnen weet ik niet zeker, waarschijnlijk is Mari hier mee begonnen. Maar de hobby van mijn vader werd door mij overgenomen en werd een kleine rage in onze klas. Wij, Hans Leermakers, Jan Hoogendoorn en ik wilden een jeugdpostzegelclubje oprichten. De vraag aan onze Pa, wilt u helpen? Een verenigingslokaal werd gevonden bij de St. Petrusschool in de klas van frater Constantio. Ach dacht m’n vader een clubje voor enkele weken, enkele weken werden maanden en later misschien wel 15 jaar. We richtten een jeugdbestuur op met Pieter van Iersel, Paul Mulder, Martien van Iersel, Pietje Verhoeven? Hans Leermakers en of Jan Hoogendoorn? We kwamen tweewekelijks bij elkaar, openden nog met de Christelijke groet, Gelooft Zij Jezus Christus. Daarna een officieel gedeelte met opening, notulen, mededelingen e.d. Daarna volgde een kort lesje het ABC van het postzegel verzamelen gegeven door mijn vader C.A. van Iersel. Daarna was het ruilen en gezellig samen zijn. We kwamen tot plaatselijke en regionale tentoonstellingen en contacten. Ook nationaal deden we mee en behaalde bescheiden resultaten. Het opstellen van tentoonstellingscollecties werd een belangrijk onderdeel van de verenigingsactiviteiten. Deze bezigheden werden ook bij ons thuis voortgezet zodat vele Udenhoutse Jonge Filatelisten bij ons over de vloer kwamen om onderwezen te worden in het wel en wee, het hoe en het waarom van het postzegels verzamelen. Om de kas te spekken werd jarenlang oud papier ingezameld, onze pa heeft duizenden, misschien wel tienduizenden kilo’s papier gepakt, verpakt en versjouwd. De broeders Ad en Frans Peeters en  Jan van Gorp waren het actiefst in het inzamelen van oud papier. Ook de verkoop van lucifers, en de toneeluitvoering van Batman leverde de nodige gelden op. Maar absoluut hoogte was de organisatie van de Nationale Jeugdtentoonstelling in de St. Petrusschool. Kees van Kempen vervulde hierbij een belangrijke rol. Alle klassen werden gebruikt als tentoonstellingsruimten. Na de opening door burgemeester Hoefsloot(?) was er belangstelling uit heel Nederland.  Het mooiste was het goede contact dat mijn vader had met de jeugd, geen generatieconflict.  Aan jou is een goede onderwijzer verloren gegaan  was de mening van frater Constantio.

Een tussendoortje.

Omdat m’n vader nog een eigen kleermakerij had, moesten we de klanten van ons thuis op onze beurt ook steunen. Zodoende hadden we drie slagers en drie bakkers. M’n moeder zag er nauwlettend op toe dat ze allen op tijd aan de beurt kwamen.  Een bakker kwam iedere week, de andere twee om de week. De slagers waren Guust Haans en Toontje Verhoeven, verder kwam er nog een slager aan huis die vooraan in de Groenstraat woonde. De bakkers waren Kees van der Aa en Piet en Wim (Jo)Haen.

Robinsonschoenen.

Hoge Robinsonschoenen, dat waren geweldige schoenen, die je kon kopen bij de schoenwinkel van de Valk aan de Kreitenmolenstraat. Een winkel vol dozen met daarin schoenen. Vrouw Valk, dit zeggen wij zo op zijn Udenhouts, geen mevrouw Valk, maar gewoon vrouw Valk, pakte de dozen van de wand met daarin die zo geliefde Robinsonschoenen. Even naar de juiste maat zoeken en je ging als de koning te rijk naar huis. Een belevenis op zich.

Genezeres te Rosmalen.

Ik herinner me ook dat onze pa of ons moeder naar een genezeres in Rosmalen gingen. Vaak samen met Sjef van Beurden en of zijn vrouw. De familie van Beurden had een gehandicapt dochtertje. Men ging voor genezing of voor verbetering van zijn of haar gezondheid.  Deze mevrouw, Betsy Duffhues was van ‘s-morgens vroeg tot ‘s-avonds laat in de weer voor de zieke medemens. Als Betsy ‘s-morgens uit de H. Mis kwam zat de wachtkamer in haar privé woning al vol, dit ging door tot diep in de nacht. Zij kon ook foto’s lezen, dus je hoefde niet persoonlijk aanwezig te zijn. Mijn ouders wilden graag dat mijn loopoor zou genezen en gingen daarvoor naar haar toe. Of het gebed van Mw. Duffhues heeft geholpen weet ik niet met zekerheid te zeggen maar in de periode dat mijn ouders haar bezochten is het loopoor wel genezen. Ik was natuurlijk ook onder behandeling van de KNO arts. Ik denk dat haar gebed de doorslag heeft gegeven. Mijn vader vertelde dat een meisje van 16 jaar nog iedere nacht in haar bed plaste. Op verzoek van haar moeder heeft mijn vader een foto van het meisje meegenomen, het meisje heeft daarna nooit meer in bed geplast, dit vanaf de eerste morgen  van het bezoek.

Pauw.

Bij het patronaatsgebouw van de pastoor liepen naast hertjes ook enkele pauwen. De pauw is op zijn mooist als hij zijn veren ver uitstrekt. Natuurlijk gebeurde dit niet al te vaak. Wij zongen dan een liedje om de pauw te laten pronken. Het gaat als volgt, pauw kan nie pronken, kalekoene wel, pauw kan nie pronken kalekoene wel enz. Dit ging zo door tot hij zijn verenpracht toonde.

De fietsenmaker en onze fietsen.

Mijn vader was best handig in allerlei dingen, maar fietsen repareren was niet zijn allergrootste hobby.  Onze fiets kapot was dan moesten we deze maar naar Toon van Vlokhoven brengen ter reparatie. Eens n de drie maanden stuurde Toon dan een rekening van alle reparaties, daar schrok mijn vader dan hevig van, niet van de rekening op zich maar van de hoogte ervan. Hij probeerde hierna weer zelf de fietsen te repareren maar na korte tijd was het weer, “breng de fiets maar naar Toon van Vlokhoven”.   Onze Mari kreeg een opgemoffelde fiets toen hij naar de Mulo in Oisterwijk ging. Een opgemoffelde fiets is een 2de hands fiets die zo opgeknapt is dat hij weer als nieuw lijkt. Dit kostte best een paar centen. Dus moest de fiets iedere zaterdag gepoetst worden, wat de nodige herrie opleverde. Mari kon toen een fiets kopen bij Toontje Boers voor 12 gulden. Zo gezegd zo gedaan, er hoefde zaterdags geen ruzie meer gemaakt worden over het fiets poetsen. Ik meen dat ik jaren later ook nog op die fiets naar Oisterwijk ben gereden.  Mijn  eerste nieuwe fiets kreeg ik met St. Nicolaas, ik denk dat ik toen een jaar of twaalf was, de helft van de koopsom mocht ik zelf bijleggen.  Fietsen leerde ik op de hofpad, op een grote fiets, met de benen tussen de stang. Als je wilde stoppen kon je jezelf tegen de konijnenkooien aan laten vallen.
De jongens van Jos Lommers, Henk en Jan, hadden een kleinere jongensfiets de ik ook weleens mocht gebruiken om te oefenen. En tante Ant had nog een oude damesfiets, die je bij de gratie Gods, ook weleens mocht lenen.

Groeten.

De familie Jan Roefs kwam naast ons wonen, vader, moeder en twee dochtertjes. Ze hadden het huis van Jan de Weijer gekocht, Kreitenmolenstraat 110. Twee keurig opgevoede dochtertjes. De oudste Lia kwam bij Piet van Kuijk in de kruidenierswinkel. Waar ook mijn moeder en Miet Mathijssen van Diessen in de winkel stonden. Lia zei netjes, dag mevrouw van Iersel, en dag Miet. Van haar moeder moest ze netjes Mevrouw van Iersel zeggen, maar op straat hoorde ze niet anders dan Miet vandaar het verschil.

Ook was er verschil tussen Joke Robben en de vrouw van Ad van de Voort. Joke Robben was een echte Udenhoutse en leef hierdoor voor de echte Udenhouters gewoon Joke Robben en ze werd dus nooit Mevrouw van Iersel. De vrouw van Ad van de Voort kwam van elders en dus onbekend, zij werd dus steeds Mevrouw van de Voort genoemd. Verschil moet er zijn. Niet bewust en ook niet echt gemeend.

Lagere Tuinbouwschool Eindhoven

Op de mulo, ging het niet al te best, vooral het grote aantal vakken en het hoge tempo braken me op. Na twee jaar hard werken en weinig resultaat, gaf ik de mulopijp maar aan Maarten. Omdat ik met Ad en Jan van Ingen weleens bij hun tante Luus Verschuuren kwam en daarbij ook de bloemenwinkel en de plantenkas bezocht leek het me wel leuk om bloemist te worden. De tuinbouwschool in Eindhoven was hiervoor de uitgelezen opleiding. Met twee jaar mulo kon ik in de tweede klas beginnen. Dat was vier dagen naar Eindhoven en een dag praktijk. Aan het reizen was je gauw gewend zodat dat verder geen probleem meer was. Het niveau was best hoog zo ook het aantal vakken en het tempo. Je kon mee, of niet mee. Als je bleef zitten deed je de klas gewoon nog een keer over of je ging van school. Het was een goede opleiding onder leiding van de directeur de heer Meijs. Destijds een ouwe zeur, maar nu gezien een man die het beste met zijn school en leerlingen voor had. Een conflict herinner ik me nog. Je kijkt om Martien, nee meneer ik kijk niet om. Na enkele herhalingen bleef hij bij zijn mening en ik bij de mijne. Dus ik, (dhr Meijs) ben een leugenaar, wat moet je dan nog zeggen. Dan maar haar huis gestuurd en volgende week terugkomen. Kwam goed uit, kon ik thuis in d’n hof werken. Ook met dhr Broos lag ik voortdurend overhoop, ik ging altijd de discussie met hem aan. Met als resultaat uit de klas gezet worden en of naar huis. Verder was er nog de heer van Esch wiens auto-tje we nog eens op de school trappen hebben gezet. De heer van Hulten gaf gedegen praktijkonderwijs in de schooltuin. Vaak gingen we wandelen in het park om plantenkennis op te doen. De leraar timmeren, was een oudere man, die slecht zag. Als hij op zolder hout ging halen deden ze beneden het licht uit. Laf toch, aan pesten deed ik niet mee, wel aan plagen en uitdagen. Ook de godsdienstleraar sprak me erg aan, alleen al voor zijn inzet ondanks de afnemende belangstelling van de leerlingen. Al met al een gedegen opleiding.

Medeleerlingen die ik me herinner, Hans de Kruijf, Sjaak Schwartz, Frans van Herpt, Frans Holten, Frans van Boekel, Antoon Vermeer,  Thijs van den Broek. Leo op ’t Hoog en Martien Toolen (Tholen) de beste van de klas. Ook was het de tijd van Puch en Thomas, van brede lage of van smelle hoge sturen, van Beatles of van Rolling Stones. Aan het einde van het vierde schooljaar gingen we voor een retraite  naar Heeze, een driedaagse. Het kerkboekje dat we kregen was nogal op priesterroepingen gericht, je zou er bijna roeping van krijgen. Het waren toch fijne dagen die me niet verveelden.

Middenstandscursus 

Tegelijk met de tuinbouwschool volgde ik ook nog twee avonden per week de middenstandscursus te Oisterwijk. De directeur was de Udenhoutse frater Deodaat van de Voort, verder waren er de leraren Schoenmakers (’t Schoentje) en de heer Boom voor Nederlands. De leerlingen die ik me ook nog herinner zijn  Corrie, Maria, Kees en Marjan. Verder een jongen uit de Biezenmortel die thuis een kruidenierswinkel hadden. Hij haalde goede cijfers maar had blijkbaar examenvrees en kon maar niet slagen. Liane was ook op de cursus, later ontmoette ik haar weer bij Trappaf. In twee jaar rondde ik deze cursus met succes af, tegelijk met de tuinbouwschool. Toen ik de directeur van de lagere tuinbouwschool een dag vrij vroeg om examen te doen was hij zeer verbaasd, twee scholen tegelijk dat kon niet.

Naar de grotten van Han, België.

Ik zal denk ik zo’n 14 jaar zijn geweest toen ik met mijn broer Mari naar de grotten van Han ben gefietst, op een oerdegelijke Nederlandse fiets zonder versnelling. We fietsten eerst naar Grimbergen, bij Brussel. Onderweg kochten we wat levensmiddelen, waaronder twee ons kaas, het meisje wist niet wat twee ons was en moest het haar vader gaan vragen. Oh tweehonderd gramme, wij wilden dun gesneden maar daar moest de Belgische winkelier niets van weten. In Brussel woonde een broer van Hendrika van Heesch, 2de echtgenote van mijn opa Sjef van Iersel. Deze broer was prelaat van het klooster te Grimbergen onder de naam Hroznata. We fietsten daarnaar toe met de hoop om gratis onderdak te verkrijgen, wat ons ook aangeboden werd. We konden slapen en eten met de studenten die allemaal Frans spraken. Dit was niet prettig, het leek erop dat ze over ons praatten en ons daarna uitlachten. De koffie in grote witte kommen was niet te drinken. We moesten enkele keren natuurlijk Heeroom bezoeken, hij vroeg dan zijn jullie van Pietere, broer van mijn vader, nee wij zijn van Kees. Na twee nachten logeren gingen op de fiets verder naar Namen, over wat toen een snelweg leek. Het regen, regen en nog eens regen, niet leuk meer maar we gingen verder. We moesten vanuit het Maasdal richting Ardennen, dus steeds licht klimmen. Op een eenzaam stuk weg stond een grote lege schuur achter een groot hek. Wij onze fietsen over het hek gegooid en de schuur in. Er lag wel twee meter los stro in waarop we onze tent uitlegde, heerlijk geslapen. Maar we hebben daar ook gekookt met een primusbrander nog wel. Levensgevaarlijk in dat verse stro, maar ja, je bent nog jong en ziet alle gevaren niet. Daarna door naar Han en de grotten bezocht, mooi. De terugreis staat me niet meer zo bij, wel dat we tent op moesten zetten op een rotsachtige inham langs de weg, ging moeilijk, de haringen wilden niet de grond in.
s’-morgens merkten we dat deze rotsachtige inham voor meer doeleinden werd gebruikt nl. als noodstop voor toiletgangers. We wasten ons in het water van een ijskoude beek, brr. Op zaterdagmiddag fietste ik ook nog over  een pas geveegd en geharkt stuk erf, lelijke kaaskop kreeg ik te horen. Voor de Nederlandse grens de tent nog eens opgezet, in het donker. ‘s-morgens werden we wakker op een groot weiland. Rond twee uur in de middag, op zondag, weer thuis. Onze pa nam mijn fiets mee om naar het lof te gaan, bij het opdraaien van de Kreitenmolenstraat  brak het stuur zomaar af. Al met al een leuke en avontuurlijke vakantie geweest.

Seksuele voorlichting

Het zal zo halverwege de tuinbouwschool geweest zijn dat mijn vader meende mij het nodige te moeten vertellen over de bloemetjes en de bijtjes. Het was op een fietstocht van Oisterwijk naar Udenhout. Alhoewel ik al van het een en het ander op de hoogte was heb ik altijd waardering gehad voor de moeite de hij genomen heeft om dit persoonlijk aan mij te vertellen. Ook het respect en de eerbied die hij daarin legde voor de relatie tussen man en vrouw is me bijgebleven. Ook het mooie door God gegeven heeft me toen geraakt.

Middelbare Tuinbouwschool Breda

Na de lagere tuinbouwschool was de middelbare te Breda het logische gevolg. Ik zou eerst naar Nijmegen gegaan hebben, maar onderdirecteur Dhr. van de Broek uit Breda kwam mij thuis opzoeken om te vragen of ik niet naar Breda wilde komen. Ze hadden niet genoeg leerlingen voor een tweede leerjaar aanleg en onderhoud van tuinen. Jammer van dat op kamers wonen in Nijmegen maar Breda was financieel veel aantrekkelijker voor mijn ouders. Het eerste jaar ging vrij makkelijk gezien m’n vooropleiding, wat mulo, de middenstandscursus en het diploma van de lagere tuinbouwschool. Ik werd er voorzitter van de leerlingenvereniging Nitamia en hoofdredacteur van het schoolblad. Het schoolblad typten we zelf in de middagpauze op stencil, samen met Willem de conciërge draaiden we honderden exemplaren af. Janny Resoort zat ook in de redactie de andere kan ik me zo direct niet herinneren. Met Nitamia organiseerden we ieder jaar een kerstviering, ik speelde hierin nogeens de rol van St. Jozef, samen met Maria Hofstede. Maria een Rotterdamse speelde Maria en was het enige meisje van de klas. De school was goed en degelijk, vooral de oudere leraren. Het was echter een tijd van protest, denk maar aan de slogan geen woning geen kroning, de oude garde wist hier niet goed raad mee. Zoals de heren Sweep en van den Broek, leraren scheikunde en natuurkunde.  Dhr. Brand was leraar Nederlands hij speelde meer in op de tijdsveranderingen en besprak deze in de les. Dhr. Geuskens was directeur had veel tijd nodig voor de organisatie en de nieuwbouw van de school. Zo liet hij ons op zaterdagmorgen twee lesuren wachten omdat hij een bespreking had met een aannemer. Ik was het wachten beu en ging naar huis. De volgende maandag moest ik op het matje bij hem komen, ik verweet hem de onbeleefdheid dat hij ons zolang zonder bericht had laten wachten. Nou toen mocht ik voor een hele week naar huis, ik snap nu de logica nog niet. vrij. Dit gebeurde ook toen ik een zaterdagmorgen vrij vroeg voor een jurycursus filatelie. Eerst wordt een halve dag vrij geweigerd en dan mag je voor straf een hele week vrij. Praktijk kregen we van de heer van Esch uit Vught en van de heer Beskers. Dhr van Esch beloofde ons, volgende week gaan we parken bezoeken om onze plantenkennis op te frissen. De volgende week echter moesten we Gladiolenbollen poten voor de kweek van snijbloemen. Ik zeg meneer van Esch, we zouden toch naar het park gaan, hij boos, nee we gaan bollen poten. Ik boos, maar meneer dat is geen afspraak, van Iersel naar huis. De volgende week kwam de heer van Esch excuses maken, hij moest ook doen wat de directeur zei. Het tweede jaar verliep ook goed, maar toch wat minder.  Dhr. Detz was leraar boomteelt, de enige protestantse leraar in die katholieke gemeenschap. We behoorden nog te bidden voor de eerste les, dat schoot er bij veel leraren al bij in. Maar niet bij de heer Detz, hij eiste ook eerbied en stilte als de klasse-oudste (Hoppenbrouwers) voor ging in het gebed. Ondertussen organiseerden we met Nitamia dansavonden in zaal Prins Bernhard te Breda. Om te kunnen dansen nodigden we ook meisjes uit van de verpleegsters opleiding, hartstikke gezellig. Een bijzondere leraar was dhr Frijters, leraar gymnastiek, hij was de enige die me voor sport interesseerde. Bovendien was hij ook heel menselijk in de verhoudingen leraar – leerling. We hadden ieder jaar een sportdag met de leerlingen van de tuinbouwschool uit Nijmegen. Dhr Frijters deelde mij altijd in bij het touwtrekken samen met de jongens van de landbouwkant, het enige wedstrijd onderdeel dat altijd door ons werd gewonnen. In het derde leerjaar wilden we, het bestuur van Nitamia, een landelijke sportdag organiseren samen met de heer Frijters. De sportvelden en zalen waren al gehuurd bij de gemeente Breda. De directeuren van de tuinbouwscholen lasten alles af en er werd op veel scholen geen vrije dag voor gegeven. Nu gezien gelukkig maar, de organisatie was toch niet zo solide.

Het derde leerjaar was natuurlijk het examenjaar. In januari ga ik er hard tegenaan, nee toch maar met carnaval, nee na Pasen, iets later kan ook nog wel. Toen puntje bij paaltje kwam, kwam er niets van. Met het langer worden van de dagen werd de studie ijver minder. Toch geslaagd, maar het had beter gekund voor toen en ook voor later.  In het derde jaar gingen we ter afsluiting naar de Volkshogeschool te Bergen NH. Een fijne periode, wat links, wat socialistisch paste niet zo bij mijn aard en opvoeding. Er waren ook vissersbazen en leerlingen van de kweekschool uit Friesland. We gebruikten gezamenlijk onze maaltijd en zaten gemengd aan tafel. Bij die vissersbazen was het goed toeven, bij de Friezen wat minder. We moesten ook gezamenlijk allerlei huishoudelijke klusjes doen ook de vissersbazen. Het sporten ‘s morgens in de duinen was ook heel plezierig.

Dhr. Kraaijkamp uit Oisterwijk mag ik niet vergeten te noemen, hij was de vader van medeleerling Joost, en gaf les in cultuur. Hij tekende zomaar heel Europa en Azië op het schoolbord om te laten zien waar de Grieken en Romeinen woonden. Hij was anders dan de andere leraren, een beetje tegen het gezag en de regeltjes. Toen directeur Geuskens het roken verbood mocht je bij hem in de klas roken. Spieken was ook toegestaan, je kon alles uit je boek overschrijven. Spieken op het examen was verboden, een onverlaat die dit toch probeerde kreeg ’n een op zijn eindlijst en moest zodoende een jaar terugkomen. Na het examenfeest hebben we nog een afzakkertje bij hem genomen, samen met Frans Holten uit Valkenswaard, Jan v.d. Bom uit Oudenbosch en misschien ook Kees Laros, ook Liane was erbij. We reden met het kevertje van Frans Holten van Baarle Nassau naar Oisterwijk, Liane moest de weg wijzen de anderen hadden al te diep in het glaasje gekeken. Frans Holten ontmoette hier zijn meisje uit Gorinchem zij was ’n vriendin van Janny Resoort de vriendin van Joost Kraaijkamp. Het examenfeest was in Schaluinen, Baarle Nassau, met allerlei officiële toeters en bellen, georganiseerd door de directie, zeer tegen de zin van de leerlingen in. Ik meen ook dat het op die manier de laatste keer is geweest. Er is van drie schooljaren natuurlijk meer te schrijven, maar dit waren zo de eerste invallen.

Dansles bij Grijsbach

Ja als je zo’n 17 jaar bent dan wil je wel naar de dansles. Wij gingen naar de Grijs, ons Nel en ons Leen waren daar ook al geweest. In het dansen was ik niet zo’n ster, ook niet zo’n charmeur met een vlotte babbel. Meestal danste ik met Francien uit Oisterwijk, als de dames een heer mochten vragen kwam zij mij ook vaak vragen, alle twee een beetje verlegen. Buiten de dansles om kon je zondagavonds naar de oefenavonden. Van 7 uur tot half elf, je kon dus mooi op tijd thuis zijn. Ook de controle op de dansavonden waren zo stevig dat je ouders je gerust naar de Grijs konden laten gaan. Een tweede cursus volgde, je kon op voor een danstest, voor brons, je moest daarvoor een vaste partner hebben, Francien dus. Voor de test haakte ze af, was er geen geld thuis voor de danstest. Ik danste toen af met een van de vaste helpsters van de dansschool, allemaal zesjes, maar toch geslaagd. M’n moeder vond dat ik maar eens wat meer uit moest gaan, dat werd Trappaf, samen met Jan van Munster en Henk Boom. De eerste dans-partner beviel me niet zo. Maar zat daar ook niet een meisje van de middenstandscursus. Zal ik haar maar eens vragen en zo is het gekomen. Onze Martien heeft een meisje zei mijn moeder. Welnee zei onze pa. Maar hij gaat wel iedere zondagavond uit,  jawel onze Martien had een meisje sinds 1 april 1967, Liane van de Wiel.

Zomaar drie tussendoortjes

We hadden slechts een vuilnisemmer (nu drie grote containers, een voor Groente Fruit en Tuinafval, een voor oud papier en een voor restafval 2004) de bekende ijzeren met deksel. Er was zo weinig afval dat we deze eens per week met zes mensen niet helemaal vol hadden. Het groene afval ging naar de mesthoop voor d’n hof. Hout resten e.d. gingen in de kachel. Papier ging naar de ene of andere vereniging. Todden en zo naar de toddenboer, wat overbleef was voor de vuilnisemmer.

De todden werden vaak opgehaald door rondtrekkende woonwagen-bewoners. Je kreeg voor een zak todden een met gas gevulde ballon. Dus alle kinderen vlug naar binnen om bij de moeders todden te vragen om een ballon te krijgen. Ik dus ook, maar ik liet na enige tijd de ballon glippen. Goede raad was duur, maar niemand durfde naar het woonwagenkamp om een nieuwe ballon te halen. Behalve Martin Keijzers, een inwonende kleermakersleerling van mijn vader. Hij ging met de fiets naar het woonwagenkamp, bij de oude steenoven, en kwam terug met een ballon tegen inlevering van een zak todden.

Zelf schilderen Vanwege de kleine portemonnee van m’n vader dacht hij er maar over om zelf z’n huis op te schilderen. Volgens schilder van de Plas uit de Groenstraat zou er weinig van terecht komen, m’n vader dacht er anders over; hij antwoordde “Ik kan beter schilderen dan jij een broek maken”. Het resultaat was goed, we kregen op de overloop vier deuren met allemaal verschillende kleuren naar de laatste mode.

In Udenhout was praktisch iedereen katholiek en het hele leven had een katholieke signatuur. De enige protestant die ik kende woonde over het spoor, hij haalde de vuilnis op en kwam ook de beerputten leegzuigen. Met de kerst bracht ik er de konijnenvellen voor maar liefst 60 cent per stuk.

Kleuterschool.

Op de kleuterschool kwam je al bij de zusters. Ik herinner me   zuster Celesta, als een lieve kleine zuster met een warm hart voor haar kinderen, zuster Felicitas als een oud kreng en zuster Paulino als een jong kreng met rare streken. Ze bad altijd tot de H. Antonius als ze haar schaartje kwijt was, of had ze dat vooraf weggelegd.  Wij moesten dan bidden; H. Antonius beste vrind maak dat zuster Paulino haar schaartje vind. En jawel hoor, het schaartje werd gevonden, lag op een glazen plaat in de glazen kast. Wat de zuster natuurlijk al wist, ik voelde er altijd iets onechts bij of je voor de gek werd gehouden.

Het was op de bewaarschool vaak vlechtmatjes maken, geel met zwart of zwart met geel. Ook mocht je niet praten, als de zuster iets pakken moest, hetgeen mij natuurlijk niet lukte vanwege het opgelegde karakter van het stil zijn. (zou ik een echte van Iersel zijn) Ik lees dergelijke reacties later ook in de memoires van mijn oom Piet van Iersel. Plassen tussendoor was ook ten strengste verboden, hetgeen voor mij aanleiding was om toch te gaan plassen en hierdoor naar huis gestuurd te worden. M’n moeder, hevig geschrokken, ging me terug brengen, maar Martientje was niet meer welkom, dat vervelend jong mocht ze mee naar huis nemen. Had ze daar jaren geleden al geen ervaring mee opgedaan, met Piet Scholtze, neem dat vervelend jong toch mee de kerk uit.(Gilze Rijen 1915 +/-) Slibberen (glijden),op onze sloffen, in de klas was ook ten strengste verboden en het ging zo lekker. Zuster Celesta stond het oogluikend toe, als zuster Felicitas niet in de buurt was. De kleine peuters speelden voor de school, de groteren achter de school. Als het regende zongen we; “Onze Lieve Heertje, geef mooi weertje, geef mooie dag,  opdat het zonnetje  weer schijnen mag.” En vaak brak dan de zon achter de wolken door.

Het was een heel katholiek complex, St. Felix, kleuterschool, meisjesschool, oude mannen en vrouwenhuis, rector van Teeffelen, zusters, kloosterpaadje waar je niet komen mocht, hier moesten immers de ouwe mannekes en vrouwkes wandelen. Je mocht er wel komen als je de aardappels van de fraters naar vrouw de Ruijter moest brengen, vrouw de Ruijter schilde nl. de aardappels voor frater kok. Joost Wagemakers bracht deze iedere dag op en neer, je mocht hem dan helpen om de emmer met aardappels te dragen zo kon je toch door het kloosterpadje lopen.

De communie werd thuisgebracht.

Nog een ander facet van het katholieke dorpsleven was het thuis brengen van de communie “Ons Heer” door de pastoor of de kapelaans. Ze waren meestal op de fiets en hadden een stola om zodat je kon zien dat ze “Ons Heer” bij zich hadden. Je mocht mijnheer pastoor of mijnheer kapelaan dan geen gedag zeggen, ze konden immers niet antwoorden met “Ons Heer” bij zich. Je hoorde wel te knielen, maar ja, soms kwam daar valse schaamte bij, niet iedereen deed dat en jij dan wel. Je behoorde het wel te doen.

Je plaats in de kerk.

Hiermee bedoel ik de verpachte plaatsen in de kerk waar je kon gaan of mocht zitten. Deze plaatsen werden jaarlijks verpacht met opbod. De familie Bertens van de Berkhoek huurden jaarlijks een hele bank van naar ik meen vijf plaatsen. Het was in ieder geval een bank met een pilaar. Er waren toen nog drie missen op zondag waarin de banken verpacht werden. Dus de familie Bertens had in drie missen vijftien plaatsen. Bestond de familie nu uit zes kerkgaande personen en gingen ze allemaal twee maal naar de kerk dan hadden ze drie plaatsen over. Deze plaatsen konden weer doorverpacht worden. Zo had mijn vader twee plaatsen een in de mis van kwart voor acht en een in de hoogmis van kwart over tien. Het gebeurde weleens dat ik als kind met mijn vader mee naar de kerk ging en in de Bertensbank mocht zitten. Dus twee plaatsen in een mis in plaats van een. Kwam nu de familie Bertens met  het hele gezin naar de kerk dan moest ik plaats maken en in de jongensbeuk gaan zitten bij het St. Lambertusaltaar. Aan deze zijde van de kerk waren plaatsen gereserveerd voor de jongens en de meisjes. Ieder aan hun eigen kant onder toezicht van de fraters en de zusters of meester van der Westen. Omdat ik een draaitol was gebeurde het vaak dat de frater of meester we kwam halen om naast hem te zitten. Toch heb ik er nooit een hekel aan gehad om naar de kerk te gaan, ook niet met de kerkelijke hoogtij dagen, zoals Kerstmis, De Goede Week en Pasen. De mensen die geen bank hadden of konden pachten was de kwartjes mis van negen uur. Je kon dan gaan zitten waar je wilde voor een kwartje per plek.

Het bidden bij ons thuis en op school. (zoals gebruikelijk)

**Morgengebed, bij het opstaan, samen beneden in de huiskamer, knielend voor je stoel.

**Voor en na het ochtend eten.

**Naar de H. Mis van 8.15 uur, iedere dag te communie, dus    nuchter blijven vanaf 0.00 uur. Je mocht dan op school je brood opeten.

**Bidden op school voor en na de ochtend lessen.

**Bidden thuis, De Engel des Heren, voor het middag eten, ook na het eten bidden.
**Bidden op school voor en na de middag lessen.

**Bidden thuis voor en na het avondeten.

**In de avonduren het “Rozenhoedje” bidden, in de maand maart uitgebreid met het    gebed tot de H. Jozef. In de maart maand kreeg zijn beeldje een extra versierde plek in de huiskamer. Ons moeder kende dat gebed van buiten, je wist niet hoe, maar in maart was het er weer.

**Avondgebed voor het slapen gaan. En als je niet kon slapen riep ons moeder naar boven;

**Bidt maar een Weesgegroetje tot Maria van Slaap.

Onze pa en onze geloofsbeleving thuis.  

Onze pa was een behoudend katholiek, maar niet krampachtig, wel standvastig op vrijwillige basis. Veeleisend voor zichzelf en misschien ook wel naar ons toe inzake geloofsbeleving. Als mensen problemen hadden met de kerk als organisatie en daarom hun plichten verzuimden dan zei hij altijd, ze hebben geen hekel aan de kerk maar hun godsdienstzin is te klein. Onze pa trachtte katholiek te zijn in woord en daad. Op zondagmiddag, als we samen thee dronken liet hij altijd tante Ant halen, ze zit ook maar alleen, eigenlijk had hij liever dat ze niet kwam. Een daad van christelijke naastenliefde? In het weekend twee keer naar de kerk, onze pa ging naar de mis van 6.30 uur. Wij gingen om 7.45 uur. Meestal waren we dan om 9.00 uur weer thuis, onze pa had dan de tafel gedekt. Met het goei servies, om de zondag van de andere dagen te onderscheiden. We aten dan gebakken eieren met spek. Hierna omwassen, bedden dekken, hout of kolen halen in de winter. Iedereen moest wat doen zodat ons moeder ook een vrije dag had. Er mocht beslist niet gewerkt worden op zondag, alleen het hoognodige, zeker geen slaafse of betaalde arbeid. Om kwart over tien Hoogmis met zang door het herenkoor. Je kon hier naartoe gaan of je moest ‘s-middags naar het Lof van drie tot half vier. Of je moest al naar het zaterdagse Lof van 19.00 uur zijn geweest. In ieder geval ging je twee keer per weekend naar de kerk. Op hoogtij dagen, Kerstmis, Pasen en Pinksteren soms nog meer. Het was voor mij nooit een straf om naar de kerk te gaan, behalve in de zesde klas, je moest voortaan iedere morgen alleen omdat je broer en zussen al elders naar school gingen. Op zondagmorgen deed onze pa de boekhouding van de kaartclub V.O.O. geen bedrijfsboekhouding dat was immers werken.

Sacramentsdag.

Een bijzondere dag was Sacramentsdag, een donderdag in juni. Er was ‘s-middags Sacramentsprocessie. Deze processie ging van de Lambertuskerk aan de Slimstraat naar de ingang van Vincentius aan de Schoorstraat. Deze ingang bestond uit hoge trappen met een bovenaan een plateau, hierop stond een buitenaltaar. Hier werd een Plechtig Lof gedaan met uitstelling van het Allerheiligste. (grote Hostie in monstrans) De monstrans werd door pastoor Prinssen gedragen onder een baldakijn. Dit baldakijn werd door vier kerkmeesters gedragen, o.a. door Toon van Vlokhoven, geflankeerd door de verkenners van de Lambertusgroep. Hoe dichter je bij ons Heer kon lopen, als verkenner, hoe plechtiger en voornamer ik me voelde.

Kindheidsoptocht.

Als kleine jongen (7-8 jaar) liep ik ook mee in de Kindheidsoptocht. Een optocht ter bevordering van de jeugdmissie. (apostolaat van de kinderen). Ik had een nieuwe gestreepte pyjama aan met een zwart gemaakt gezicht. M’n moeder vertelde me later dat ze me niet gezien of herkend had met zo’n zwart gezicht. Als dit zo geweest is, moet ik wel een echt negerkindje zijn geweest.

’t Strooike

Aan het strooike kon je zien of er iemand dood was in Udenhout. Voor mijn tijd werd er een bosje stro gelegd met hier tegenaan stenen en papieren bloemen. De combinatie van stenen en bloemen gaf aan wie er dood was ’n man, ’n vrouw, getrouwd of ongetrouwd, met of zonder kinderen. ( dit is me door m’n vader en tante Ant tenminste verteld). Daar erop Felix nogal eens bejaarde mensen doodgingen hebben de zusters de stenen vervangen door plankjes en een paneeltje met een doodshoofd erop plus een bosje stro. Zodoende was dat gesjouw met die stenen afgelopen. Later kon iedereen dit gebruiken en lenen bij de zusters van Felix. Maria van Breugel van de Zeshoevenstraat was bij mijn weten de eerste in Udenhout die met deze traditie brak, bij het overlijden van haar moeder. Binnen enkele jaren was dit gebruik verleden tijd.

De bidderij

Als iemand bediend werd of overleed moesten de buren de buurt aanzeggen en bidderij houden. De buurten waren bij een ieder bekend. Zo had de Kreitenmolenstraat drie buurten te weten, van het Kruispunt tot de Zeshoevenstraat, van de Zeshoevenstraat tot het Spoor, en van het Spoor tot Quatre Bras. Drie avonden werd er achter in de kerk de rozenkrans gebeden, drie rozenhoedjes noemden wij dat. Het rozenhoedje was tot herstel of tot zieleheil van de bediende of overledene. Vaak werd er bediend als er stervensgevaar dreigde. De buurvrouw wonende aan de kerkzijde behoorde voor te bidden. De koster opende de kerkdeur en ontstak slechts een of enkele lampen.  Ook was de kerk ‘s-winters niet verwarmd. In onze buurt heb ik Net van Ingen Verschuren vaak voor horen voorbidden. Voor mijn oma Hendrika van Iersel van Heesch ben ik verscheidene malen naar de bidderij geweest. Ze kreeg vaak een galaanval en als er levensgevaar was werd er weer opnieuw bediend.

Begrafenis

De begrafenis van m’n opa Sjef van Iersel en tante Door staan me nog goed bij. Opa woonde toen (1956) in de Kreitenmolenstraat naast de fietsenzaak van Korthout, en naast Keesje Wagenmakers, hoek Kreitenmolenstraat en Zeshoevenstraat.  De gebruikelijke bidderij ging aan de begrafenis vooraf. De burenplicht hield in dat de familie Wagenmakers en de familie Korthout de helpende hand toestaken bij het regelen van de begrafenis. De maaltijd na de begrafenis werd gehouden in het huis van de familie Korthout (kerkzijde in de buurt). Broodjes met kaas en koffie stonden klaar. Evenals een sigaar en een borreltje voor de mannen. Zo ook voor de buurmannen die de kist naar de kerk droegen. Opa was thuis opgebaard in de gang (hal) bij de voordeur. Het stond me vreselijk tegen dat de familie Korthout kranten op de vloer hadden gelegd opdat de vloerbedekking niet vuil werd. Kees Wagemakers had in overleg met de familie een lijst samengesteld met daarop de namen van de diverse familieleden i.v.m. de volgorde van de begrafenisstoet. Eerst alle mannen en daarna pas de vrouwen. Ome Piet uit Hoorn als eerste met zijn zonen, daarna onze pa (Kees van Iersel) met zijn zonen, daarna ome Leo met zijn zonen. Zo liep ik als bijna achtjarige bijna helemaal vooraan in de stoet, wat een geweldige indruk op mij maakte. Na alle andere mannen kwam tante Dien, mijn moeder en tante Lea  met hun dochters en alle andere vrouwen. De uitvaart was om tien uur, een deftige tijd, door tante Door zo geregeld ook al lag ze in het ziekenhuis. Nu is mij altijd verteld dat in diezelfde tijd ook een rijke boer was overleden en deze hoorde om tien uur begraven te worden en niet Sjefke van Iersel. Dus de pastoor (of koster) kwam vragen of Sjefke niet eerder begraven kon worden. Maar dat kon dus namens de familie niet, zo werd Sjefke deftig begraven en de rijke boer op de tijd van de armen. Of het waar is ? het zou best kunnen, ik heb het maar van horen zeggen.

Kinderbegrafenis

Ik heb zelf ook eens gedragen, een kindje van Verspeek dat was overleden, ze woonden tegenover Botermans en Coppens.  De jongens uit de buurt behoorden te dragen dat behoorde ook bij de burenplicht. Ik meen me te herinneren dat ik dat serieus gedaan heb, ook het glaasje limonade en het snoepje na afloop staan me nog bij. De eerst overledene kind dat ik me herinner is een jongen van, van Herpt. We waren op zijn verjaardagsfeestje en speelden weleens op de boomstammen bij zagerij van de Voort, precies tegenover zijn huis. Bij het oversteken terug naar huis werd hij door een auto gegrepen en overleed ter plaatse. Later hebben we met de schoolklas nog afscheid bij hem thuis genomen. Tegen Frater Louis vertelde hij al, in de eerste klas, dat hij niet oud zou worden. Een ander sterfgeval was een lid van de welpenhorde, zijn naam is me ontschoten. Ik meen dat hij bij fotograaf Pieter van de Plas in de buurt woonde. Het jaar daarop gingen we met de welpen op pad voor de actie Heitje voor een Karweitje. Volgens de andere welpen had ik dat niet mogen doen. Ik zag er geen kwaad in, je behoefde die mensen toch niet voorbij te lopen.

Veertiguren gebed.

Een ander katholiek gebeuren in Udenhout was het veertiguren gebed. De kerk was dan veertig uren achtereen open en “Ons Heer” was uitgesteld. (grote geconsacreerde Hostie in de monstrans) De hele dag behoorden er mensen in de kerk te zijn, s’-nachts gingen de zusters van Felix.
Toch een heel speciaal gebeuren dat uitstellen van het “Allerheiligste”. Er kwam dan toch een mystieke sfeer van heiligheid in de kerk, men was stil en knielde op twee knieën alvorens de bank in te gaan. Zo ook weer bij het verlaten van de kerk. We behoorden tijdens het veertiguren gebed te bidden voor de  Bosschenaren die carnaval vierden en zich niet zo goed wisten te gedragen. Nu ik dit op papier zet (1999) ontvangt de bisschop van den Bosch de stadsprins. Zo zie je dat tijden kunnen veranderen.  Zou het veertigurengebed er de schuld van zijn dat ik nooit echt carnaval heb kunnen vieren. Frater kok knielde tot op hoge leeftijd altijd op twee knieën, ik heb me toen voorgenomen om uit respect voor hem altijd op een knie te knielen.

Drie Koningen zingen

Samen met Ad, Erna en Jan van Ingen gingen we Drie Koningen Zingen. Mijn vader was het niet zo eens met dat langs de deur lopen. Het mocht wel maar dan moest het opgehaalde geld aan goed doel gegeven worden. We zongen overal huis aan huis, ook op het kantoor van de boerenbond en de boerenleenbank. Antoon van de Berselaar van de Boerenleenbank, zelf koorzanger?, merkte op dat er drie goede zangers waren en een mindere. Maar wat wil je ook, drie muzikale van Ingens en een a muzikale van Iersel. Ook gingen we altijd bellen bij een huis aan de Slimstraat, ze deden nooit open maar ze hadden zo’n speciale brombel. We haalden op 11 gulden en 11 cent, de pater z’n bril, van  de actie “Mensen in Nood” in den Bosch, viel af toen hij de giro overschrijving las, dat schreef hij tenminste toe hij bedankte. Je kreeg toch een goed gevoel van zo’n bedankbrief.

Eerste en Plechtige Communie

Van mijn eerste communie herinner ik me niet zoveel, wel dat we in de zijbeuk zaten aan de jongenskant, bij het Lambertusaltaar. Ik had een grijs pakje aan, grijs jasje en grijze korte broek door mijn vader gemaakt. Volgens m’n vader zat ik zo goed stil, niet dus, dat hij de hele H. Mis zijn arm om me heen heeft gehouden. Het oefenen herinner ik me ook nog, met ongeconsacreerde hosties, je moest leren hoe je naar de communiebank moest gaan, knielen en zitten met je handen onder de communiebankdoeken. Bij frater Louis hebben we vast en zeker een goede voorbereiding gehad op dit gebeuren. Bij de Plechtige of Grote Communie, of Hernieuwing van de Doopbeloften ging er een driedaagse retraite aan vooraf bij de zusters van Felix. Ook behoorde je de hele catechismus van buiten te kennen. Ik heb daar wat op afgeleerd, en dan stellen ze van die makkelijke vragen die iedereen zonder te leren ook zou kennen. Een beetje of heel onrechtvaardig kwam dat toen bij me over. Ons Leentje had een mooi gedachtenisprentje bij haar Plechtige Communie over St. Helena. Zoiets wilde ik ook hebben. Frater Martinez liet door een van zijn confraters het volgende vers opstellen.

Martinus heil’ge schutspatroon. Gij gaaft vol goedheid en erbarmen, Uw mantel aan een arme man, Om voor de kou zich te verwarmen

Toen kwam de Christus voor U staan, Hij sprak: “Gij hebt hem Mij gegeven. Voor wat gij d’armen hebt gedaan, Loon Ik U eens in’t eeuwig leven”.

Zo wil op deez’schone dag, Mijn hart geheel aan Christus geven, Als trouw soldaat bij elke slag, Wil ‘k vechten voor Hem heel miojn leven.

Dan zal’k ontvangen ’t eeuwig loon, Met mijne ouders Hem omringen, En even als mijn schutspatroon, Het “Heilig”met de eng’len zingen.

Deze tekst heeft me kind af al geïnspireerd zo ook de tekst op mijn geboorte prentje, dat je door het doopsel een tempel van de H. Geest zult zijn of bent geworden.

Heilig Hartfeest op school.

Het H. Hartfeest wordt gevierd op de derde vrijdag na Pinksteren. Wat ik me ook herinner (maar niet goed) is het H. Hartfeest op school. Als je ‘s-morgens op school kwam stond het H. Hartbeeld op de speelplaats ter hoogte van de ruïne. De ruïne stond aan de andere kant van het schoolhek bij de weide van kapelaan van Erven die daar zijn hertjes liet grazen. We moesten ons klassikaal opstellen bij het H. Hartbeeld, na de verering van het H. Hart mochten we naar huis en hadden we vrij van school. Hoera Aan de viering op zich heb ik weinig herinneringen.

Naar den Bosch.

Ook gingen we de eerste zondag van mei te voet naar de St. Jan in den Bosch, ter bedevaart naar Maria de Zoete Lieve Vrouw van den Bosch. Met Mari van Ingen gingen we mee en baden onderweg ter hoogte van de Loonse Baan? bij Vught de rozenkrans +/- 1960. Later gingen we als oudere tiener, maar het karakter van de bedevaart werd allengs minder, totdat het verzandde in lol trappen en kattenkwaad uithalen. Dus hielden we het maar voor gezien, je behoorde tenslotte toch voor de bedevaart te gaan.

Er werd T.V. gekeken.

Omdat we zelf nog geen T.V. hadden moesten natuurlijk elders dit fenomeen gaan bewonderen. Tegenover ons woonde Marie Robben de moeder van Joke Robben en de schoonmoeder van Jan van Iersel, zaakvoerder van de boerenbond. De familie van Iersel Robben had hun woning verbouwd zodat moeder Marie een eigen woongelegenheid had. Ons Nel moest nogal eens oppassen op de kinderen van Jan en Joke zodoende waren er goede contacten en Marie vond het ook wel gezellig om volk in huis te hebben. Er waren toen nogal eens circus voorstellingen op de T.V. Naar ik meen van Piste van de    KRO.  Waren de rokjes echter te kort of de hals van de dames te bloot dan moest de TV uit en was je TV avondje afgelopen. Jammer maar Marie was nu eenmaal een vrouw van een andere tijd. Ook gingen we vaak T.V. kijken bij Jenneke van Kuijck van de levensmiddelenwinkel. Jenneke was een van de weinigen die mij na dokter van Keep, Tinus mocht noemen, maar Jenneke was ook een Schol. Het T.V. kijken ging in de kamer. Wat planken over wat stoelen en er konden zoveel kinderen zitten dat Tiest er niet meer door kon om naar het magazijn te gaan. Als het Tiest teveel werd was het enkele weken niet kijken, maar ja de kinderen van de klanten kon je toch niet weigeren. En Jenneke had er zo’n schik in.

Een tussendoortje

De eerste radio’s bij ons thuis kwamen uit Hoorn, die neefs daar waren zo handig dat ze wel een gebruikte radio voor ome Kees klaar hadden staan. Een touwtje erom en onze Pa sleepte de radio, per trein en bus, mee naar Udenhout.

Samen slapen was er niet bij.

Naast ons op Kreitenmolenstaat 110 woonde de familie Weijters van de Berselaar. De oudste kinderen in dit gezin hadden al verkering of moeten we zeggen dat ze al een vrijer hadden. Met oud en nieuw werd erbij de familie Weijters doorgespeeld en was het voor de vrijers te laat om nog naar huis te gaan. Ze sliepen dan niet bij de familie Weijters nee ze sliepen bij ons op de rommelzolder. Een jongen en een meisje die samen verkering hadden behoorden niet onder een dak te slapen.

Doedelen

U kent dit woord misschien niet, maar het is een Udenhouts woord voor rondgaan met de rommelpot. Op een blik spande je een varkensblaas met daarin een bamboestokje van zo’n veertig centimeter. Door het drogen van de varkensblaas kreeg je een soort trommelvel, door in je handen te spiersen (spugen) kon je een op en neer gaande beweging maken over het bamboestokje, en kwam het trommelvel (blaas) in beweging waardoor een soort trommelgeluid ontstond. Je hoorde hierbij te zingen, doedel doedel in de pot, vrouwke ’t is vastenaovond, i‘kom nie thuis veur’t aovond,  ‘t aovond in de maoneschijn, as vader en moeder nar bed toe te zijn(zen)……………………………..

Het was wel zaak om tijdig een varkensblaas te reserveren bij slagerij Toontje Verhoeven. Ik meen me te herinneren dat ik samen met Hans Leermakers rondging. Wat kleingeld was hier wel mee te verdienen

We zongen ook bij het doedelen, rommelpot spelen, Als ’t vastenavond is Bakt m’n moeder Bakt m’n moeder  Als ’t vastenavond is Bakt m’n moeder  Nooit geen vis Maar wat bakt m’n moeder dan Lekkere spekkoek Lekkere spekkoek  Maar wat bakt m’n moeder dan Lekkere spekkoek  In de pan.

Eikels rapen.

Eikels rapen was ook een geliefde bezigheid. Zo in het najaar als de eikels begonnen te vallen kon men veel jongens in Udenhout op pad zien gaan met een jutezak. Men ging eikels rapen, deze kon je per kilo verkopen aan Harrie van Iersel van de boomkwekerij. Maar je kon ze ook naar kapelaan van Erven brengen als wintervoer voor de hertjes. Je kwam dan in gewetensnood, je ging voor de centen van Harrie van Iersel, of je ging ervoor om de kapelaan te helpen. Het werd bij mij meestal de kapelaan, je kon de kapelaan toch niet alleen voor de hertjes laten zorgen.

Ook kastanjes rapen was erg populair, maar de spoeling was soms dun, veel jongens en alleen kastanjebomen voor de kerk. Ik moest nogal eens naar de oorarts Dr. van Iersel (geen familie)te Tilburg. Zodoende kwam je dan te laat op school, op zich niet zo erg. In de kastanjetijd bij stormachtig weer een voordeel, de kastanjes kwamen in grote getale naar beneden en ik was de enigste om ze op te rapen. De rest van de jongens zaten braaf op school

Op vakantie gaan.

Vakantie zoals we nu kennen, naar een huisje of met de caravan was er in onze jeugdjaren niet bij. Een week op kamp met de scouting was al heel wat. Ik ging wel ieder jaar een week naar ome Leo en tante Lea in Rosmalen. Misschien ook nog wel eens in Best, ik herinner me dat oom Leo me kwam halen, hij had een zaaltje voor op de stang waar ik op mocht zitten. Je was daar van harte welkom, zowel bij oom Leo als bij tante Lea. De familie at in de keuken en ik met oom Leo in de kamer. Of de keukentafel te klein was weet ik niet meer. Maar ik voelde me geweldig, vooral als tante Lea het eten in de kamer kwam brengen, wat een eer, wat een bediening. Als we klaar waren met eten riep ome Leo, “Lea wa hedde wir verrekkes lekker gekookt”.  We deden ook veel sportwedstrijden, naar aanleiding van olympische spelen of zo, ik weet het niet meer. Rondjes hardlopen, ver en hoogspringen e.d. Ik voelde me in Rosmalen altijd erg gewaardeerd ook door mijn neefs Sjef en Joost.  Als je op vakantie ging zag je ook dat het in andere gezinnen anders toeging dan thuis. Zo had ome Leo op een zondag de afwas gedaan en na het afdrogen gingen de theedoeken door het afwaswater werden uitgewrongen (is dit Udenhouts) en op een lijntje boven het aanrecht (gootsteen) gehangen. Zo Lea, die zijn ook weer schoon zei ome Leo, bij ons thuis ging dat heel anders.

Comboy-tje spelen, ridder, Ivanhoe  en Bonanza

Ook cowboy-tje spelen, ridder of Bonanza was een geliefde bezigheid. Achter de huizen van de Kreitenmolenstraat was nog geen bebouwing, enkel gras en akkers. Vooral het koren was ideaal om langs (of in) weg te sluipen. Vaak waren er enkele groepjes of denkbeeldige groepjes die elkaar moesten bestrijden. Al naargelang het spel had je een zwaard en harnas aan of cowboykleding. Wij speelden met Piet Verwijmeren, Jan van Munster, Jan Lommers, Pietje Verhoeven en mijn persoontje. Tot echte veldslagen is het volgens mij nooit gekomen. Vrouw Lommers, de vrouw van Jos Lommers maakten ons bang met het Korenma(e)nneke. De rog achter onze huizen, was van een neef van haar die woonde in de Slimstraat, je mocht in de rog niet komen. Het was natuurlijk niet de bedoeling om deze plat te trappen. Wij gingen natuurlijk ook weleens de rog in, alleen al omdat het niet mocht en om het korenmenneke uit te dagen. Wij gingen dan de rog in, achter de hof van Mathijssen die naast Piet van Kuijck woonde. Dan kregen  die meisjes van Mathijssen immers de schuld.  Een korenmenneke hebben we nooit gezien, maar wel bang voor geweest.

Schipper mag ik overvaren.

Omdat in de jaren vijftig de t.v., stereotorens en video nog geen algemeen goed was werd er veel buiten gespeeld door de jongelui. Ook kinderen van 12 tot 15 jaar speelden nog graag buiten mee. Een bekend spel was; schipper mag ik overvaren ja of nee, moet ik dan een cent betalen ja of nee? Het was de bedoeling bij dit spel om ongeziens de overkant te bereiken zonder dat je door de schipper (vanger) werd aangetikt. De schipper moest een aantal kinderen in de gaten houden die de getrokken lijnen (20 meter uit elkaar) wilden oversteken. Degenen die over wilden steken behoefden alleen de schipper maar in de gaten te houden en waren zodoende in het voordeel onder het zingen van het versje schipper mag ik overvaren ja of nee, moet ik dan een cent betalen ja of nee kon er worden overgevaren (overgestoken). Zo’n spelletje kon de hele zomeravond duren, als je zoet speelde mocht je meestal langer opblijven.

Landje Pik

We speelden ook landje pik of landverovertje. In een rechthoekig vak, ingedeeld naar het aantal spelers, moest je met een mes in het vijandige vak gooien. Bleef het mes staan dan moest je een lijn trekken vanaf de buitenkant naar je eigen vak. Je moest hierbij op een been staan en niet vallen of het vak van je tegenstander aanraken. Lukte dit allemaal dan was het veroverde gedeelte van jou en mocht je verder gaan tot je af was of al het land in je bezit had.

Haktollen en Pindollen.

Haktollen was meer voor de jongens en pindollen voor de meisjes. De haktol was van hout, onderaan taps toelopend met een schroef erin en een revetje. Door er een koord om te winden kon je de haktol weggooien en laten draaien. Hoe meer kleuren hoe mooier. Je kon natuurlijk ook proberen om de haktol van je kameraad te raken en kapot te gooien. De pindol had meer de vorm van een paddenstoel. Deze werd draaiend weggezet en moest dan al draaiend in beweging worden gehouden door er met een koord dat vastzat aan een stokje er tegenaan te slaan. Het ging er om de pindol zolang mogelijk draaiende te houden.

Badminton spelen (tennissen).

We speelden ook wel tennis met een shutteltje  (tennishoedje) samen met Ad of Jan van Ingen. Op straat of achter het huis van tante Ant en de fam. van Ingen. Tijdens zo’n spelletje tennis keerde ik me om, om het shutteltje op te rapen. Maar er stond ook een zinken emmer op z’n kop dus met de scherpe zinken onderkant naar boven. Ik kwam daar vol op met mijn knie (in korte broek) en grote diepe wond tot gevolg. Huisarts P. van Keep kreeg de zaak weer gerepareerd. Maar ik moest rustig aandoen en mocht niet te veel lopen. Ha, fijn niet naar school. Maar daar dacht mijn vader anders over, hij bracht me iedere morgen net met de fiets naar school en kwam me aan het eind van de middag weer ophalen. Het vervelendste hieraan was dat ik tijdens de middagpauze helemaal alleen op school was, boterham opeten en wachten tot de andere kinderen weer kwamen. Dat alleen zijn in zo’n groot schoolgebouw voelde eng aan.

St.Nicolaas bij café Verhalen en V.O.O.

V.O.O. was de kaartvereniging waarvan m’n vader secretaris en penningmeester was. V.O.O. betekende Vriendschap Onder Ons er werd tweewekelijks op zaterdag avond gerikt in café Boslust. Ook St. Nicolaas kwam nogal eens langs om de kinderen van de kaarters te verrassen. Er waren veel kinderen en de speeltuin was niet op zo’n grote toeloop berekend. Om ook eens aan de beurt te komen bij het schommelen moest je goed de wacht houden en op tijd erbij wezen. Ik was iets te vlug met het naar de schommel lopen en kreeg deze tegen mijn hoofd tussen mijn oog en neus. Een heftige bloeding was het gevolg, dokter van Keep moest er nog aan te pas komen. Het bloedde vrij lang en hevig en onze pa lag toen in het ziekenhuis. Dus enige paniek was er wel bij mijn moeder. Het bloeden had me behoorlijk verzwakt en het duurde wel enige tijd voordat ik weer helemaal de oude was.

Vliegeren.

Vliegeren was voor mij altijd een spannende tijd, op de een of andere manier voelde ik me erg tot het vliegeren aangetrokken. Ik las later in de memoires van ome Piet van Iersel dat zijn vader opa dus samen met oma vliegers opliet met een lampion aan de staart. Het zat dus kennelijk in de genen. Daar ik zelf geen vlieger kon maken die omhoog ging, liet ik hem door de Valk maken. De jongste zoon van de schoenmaker. Ze verkochten daar Robinson schoenen. Succes was verzekerd. We lieten de vliegers op, op het rogge stoppelland van Christje Mathijssen. Je had alle ruimte en kon lekker tegen de korenschoven aanzitten. Omgooien was natuurlijk uit den boze. Natuurlijk gebeurde dit toch weleens. Christje kwam ons, Martien van Iersel, Ad en Jan van Ingen, ik meen Henk en Jan Lommers dan achterna. Christje was niet zo vlug maar gelukkig voor hem was onze angst groter dan zijn snelheid. Als Christje eraan kwam was het vlug vliegers inhalen en wegwezen. Toen we terug kwamen hadden we grote pech, de koeien hadden de vliegers opgegeten.

Nu we het toch over Christje Mathijssen hebben moet ik ook vertellen dat hij altijd voor een grote zandbak achter zijn huis zorgde. Waar alle buurtkinderen in kwamen spelen. Was het zand op, dan ging hij met paard en kar naar de duinen om nieuw zand te halen. Was Christje aan het zaaien, dan zaaiden wij ook, met zandbak zand. Ja, en dan gaat het snel op.

Brokken bakken.

Brokken bakken was een geliefde bezigheid als onze pa en ons moeder samen weg waren en enige tijd wegbleven. Ze waren de achterdeur nog niet uit of we begonnen hieraan. Boter en suiker in de pan, goed heet maken tot een warm papje, uitgieten op een beboterde aanrecht, op laten stijven, en dan met een heet beboterd mes doorsnijden. En daarna de hele vieze vette rommel opruimen voordat vader en moeder thuis kwamen. Of mijn moeder die kilo suiker en boter niet misten daar zijn we nooit achter gekomen. Misschien gunden ze ons die pretjes wel.

Zoutloos eten.

Mijn vader was hartpatiënt en was hiervoor onder controle bij een hartspecialist in  ‘s-Hertogenbosch. Als hij thuiskwam vroeg ons moeder hoe het gegaan was, hij antwoordde dan altijd met de volgende korte zin, “gewoon doorgaan met ademhalen”. Hij was door de dokter op een streng algeheel zoutloos dieet gezet. Alles zoutloos, de melk, het brood, de boter, de groente en de aardappelen. Heel vervelend voor een man die graag hartig eet. Maar voor ons soms ook, mijn moeder maakte ‘s-morgens het brood met beleg klaar om mee naar school te nemen. Dat ging bijna altijd goed, maar soms kreeg je zoutloos brood mee, een vergissing, maar het smaakte vreselijk. Ook bakte ze vaak de zoutloze aardappels op om ze toch wat smaak mee te geven, ik was dan weleens wat jaloers, mijn vader gebakken aardappels en wij maar gewoon gekookte. Kinderlijk onbegrip toch.

Lourdes

Het zal zo februari 1958 geweest zijn dat de kapelaan bij ons langs kwam om te vragen of ik met de kinderbedevaart van het N.K.V.(KAB Katholieke Arbeiders Beweging) naar Lourdes wilde. Hij mocht twee kinderen uit Udenhout namens het N.K.V. vragen om mee te gaan, een meisje uit de Kuil en ik. Wat een aanbod, wie van de fam. was al eens zover geweest behalve tante Door dan toch. Helemaal naar Lourdes! Ik was vanaf mijn drie maanden nogal tobberig met mijn oren. Vele bezoeken aan dokter van Iersel K.N.O arts te Tilburg, diverse opnames in het ziekenhuis, later meer hierover, in ieder geval genoeg redenen om mee te mogen. En daar zeg je geen nee tegen. We vertrokken vanuit den Bosch, met kinderen uit het gehele land. Ik voelde me erg gezond in vergelijking met veel andere kinderen. Van de reis herinner ik me niet zoveel. Wel dat we ’s nachts door vele Franse steden reden waarvan je lichtjes zag twinkelen. Ook duurde het wachten bij de grens nogal lang. Ook herinner ik me het innemen van drinkwater. De reis duurde immers 36 uur, en dan met zoveel mensen aan boord. Ook het slapen in de trein had wel wat, er konden planken tussen de zitbanken gelegd worden waarop bedden kwamen te liggen. Op de cadans van de wielen sliep je wel in. Het mooiste moment was het aankomen in Lourdes zelf, je zag in de verte de bergen van de Pyreneeën, dit in combinatie met het zingen van te Lourd op de bergen was hartverwarmend, emotioneel, je kreeg een diep religieus gevoel van binnen. In Lourdes zelf sliepen en bivakkeerden we in een hospitaal, de straat voor het hospitaal was heerlijk om te spelen en te ravotten. Het was in ieder geval goed weer. Iedere morgen gingen we naar de Mariagrot om de H. Mis bij te wonen, ’s middags gingen we vaak naar de grot om een kaarsje aan te steken en de grot even aan te raken. Ook kon je drinken van het Lourdeswater en je oren er even mee aanstrijken om genezing te verkrijgen. We maakten ook gebruik van de mogelijkheid om een bad te nemen ,ijskoud, in het geneeskrachtige bronwater. Het dorp Lourdes en het geboortehuis van Bernadette werd ook bezocht, allemaal wat toeristisch en minder religieus.  Er was ook een verre nicht van m’n vader bij die me af en toe eens opzocht om te vragen hoe het ging. De Sacramentsprocessie met daarbij de Zegening is me altijd bij gebleven. Het zijn  sacrale momenten die je raken. Ook vierden we Koninginnedag in Lourdes, zuster Manfreda, die de algehele leiding had, was Koningin, een rector speelde de rol van Prins Bernhard. Het was een traditioneel feest met zak lopen en allerlei andere spelletjes en veel oranje. Ook was me op het hart gedrukt om tante Ant een kaart te sturen en dit vooral niet te vergeten, wat ik dan ook niet gedaan heb, dat vergeten dus. Oh ja we zijn ook nog in de nieuwe ondergrondse kerk geweest die gebouwd werd vanwege de grote drukte en het 100 jarig feest van de Maria verschijningen. En wat denk je van drie kerken op elkaar, ook indrukwekkend voor een Udenhoutse jongen van bijna 10 jaar. De Lichtprocessie werd binnen in het hospitaal gehouden, alleen de brandende kaarsen zorgden voor de verlichting en de sacrale sfeer. De lichtprocessie buiten in de avonduren werd voor ons kinderen te zwaar geacht, zo ook de kruisweg. Na de Lourdesreis heb ik nog een kaartje gestuurd aan Bisschop Janssen van Rotterdam om te bedanken. Ik kreeg een mooi kaartje terug de bisschoppelijke zegen en een mooi prentje met zijn wapen. En wie krijgt er nu zo’n prentje van een bisschop.

Heeroom

Nu we het toch over een bisschop hebben, we hadden een prelaat in de familie. De broer van de tweede moeder van mijn vader was prelaat, abt, van de abdij van Grimbergen bij Brussel. Dat is toch wel iets om trots op te zijn. Als hij oma kwam bezoeken, naar ik meen eenmaal per jaar, zorgde ik er wel voor om ook even bij oma en tante Lien te gaan kijken. Hij was bij de Witheren en dus in het wit gekleed, met een groot gouden kruis op de borst en een ring met rode steen aan de vinger. Ook kwam hij wel eens bij ons thuis, voor ons Nel bracht hij altijd een prentje mee. Onze Mari was een beetje bang van hem of van alle drukte. Hij bleef maar het liefst buiten spelen of achter in d’n hof tot Heeroom weer vertrokken was. Alhoewel het geen echte familie was, toch wel iets om trots op te zijn, een bisschop bij je thuis op visite.

Gezondheid

Uit het voorgaande valt wel te lezen dat het met mijn gezondheid niet altijd wel gesteld wel. Alhoewel gezondheid misschien wel een groot woord is. Het schijnt, niet uit eigen herinnering, dat ik met mijn drie maanden al in het ziekenhuis lag i.v.m. oorklachten. Ik kan van mezelf herinneren dat ik vaak een loopoor had meestal rechts. Hiervoor moest ik naar dokter van Iersel te Tilburg. Met de Zuid Ooster bus. Waarbij mijn moeder vooral op de terug weg ziek werd. We stapten dan in Berkel uit en gingen te voet verder. Vaak wel twee of driemaal per week. Als onze Pa meeging kreeg ik altijd een chocoladereep van een dubbeltje uit de automaat van de Spar of was het de Gruijter. Je miste dan veel schoollessen. Maar nu even terug naar Tilburg. In Tilburg aangekomen moesten we over een ijzeren brug over het spoor speciaal voor voetgangers, waar precies week ik niet meer. Bij dokter van Iersel aangekomen moesten we meestal lang wachten, in een wachtkamer met harde rode banken. Bij de dokter zelf, was het in de stoel gaan zitten, kijken allerlei druppels mee krijgen, kapjes op voor een lichte verdoving enz. Diverse ziekenhuis opnames volgden, m’n moeder bracht me ’s morgens weg en ‘s middags hadden ze nog geen kans gezien om me uit te kleden. Naar ik me herinner een rood geruit jasje. Een niet al te vriendelijke dokter herinner ik me. Dokter van Iersel stuurde me ten einde raad naar prof. Jongkees in Amsterdam. Om half zeven met de bus naar den Bosch, met de trein naar Amsterdam en dan naar het Wilhelmina ziekenhuis. Vaak lang tot zeer lang wachten. M’n moeder vroeg eens om half een, zijn we nu nog niet aan de beurt, het antwoord; als het te lang duurt gaat u maar naar huis. Een opname van acht en drie weken volgde, plus een operatie door dokter Waterman. De professor had beloofd me te opereren, maar was in de operatie zaal niet te bekennen. Na mijn vraag hierover kreeg ik een verdoving en was weg. Het ziekenhuis zelf beviel me eigenlijk wel, ik praatte al een aardig mondje Amsterdams. Ook hielp ik de verpleging met het eten geven van de kleine kinderen. We kregen vaak witte boterhammen met rode jam of banaan. Ik eet bijna nooit geen jam meer en een hele tijd ook geen bananen. Het middag eten was volgens een vast patroon, ik herinner me nog de rode bietjes van de maandag. We droegen blauwe uniformkleding als we niet bedlegerig waren. Het was ook leuk om steeds met de lift op en neer te gaan totdat deze kapot ging. Bij de tweede opname, van drie weken, was een fout gemaakt. Ik kwam niet op de kinderafdeling maar op de mannenzaal. Geweldig was dit. Na tien dagen moest ik naar de kinderafdeling terug en huilde tranen met tuiten. Een verpleegster vroeg of ik mijn vader en moeder miste. Ik zei maar ja, je kon toch moeilijk vertellen dat het niet zo was en je de mannen miste. Bij de mannenzaal werd je lekker verwend met allerlei lekkers en zo, ook de bezoekers op die zaal brachten iets voor me mee. Toch zielig zo’n Brabants jongetje dat geen visite krijgt. Alleen de ouders en grootouders mochten op bezoek komen. Vanwege de afstand Udenhout – Amsterdam kwamen mijn ouders alleen op zondag en mochten dan wat langer blijven. Na het bezoekuur was het spelen, maar dat kon niet als mijn ouders langer mochten blijven, dus stuurde ik ze maar naar huis.

Een andere blijvende herinnering was een beenvliesontsteking in mijn rechter onderbeen net boven de enkel. Dokter van Keep dacht aan vliegend jicht en schreef zeer vieze medicijnen voor. Zo vies dat hij een ziekenhuisopname noodzakelijk achtte. Hij hoeft voor die medicijnen niet naar het ziekenhuis zei mijn vader, dat kan thuis ook wel. Dokters wil was wet bij ons thuis. Op 6 december was de pijn zo hevig dat de dokter weer eens langs kwam. Mijn vader suggereerde beenvliesontsteking. ’s Middags kwam de dokter terug, beenvliesontsteking, onmiddellijk naar het ziekenhuis. En dat op de dag van Sinterklaas. Ome Frater, broer van mijn moeder, was ondertussen ook nog even komen plagen. In het ziekenhuis aangekomen stonden op alle nachtkastjes St. Nicolaascadeautjes en bij mij helemaal niets wat een teleurstelling. Een operatie volgde en een ziekenhuisopname van zes? weken, toen ik thuis kwam stonden er twee bedden beneden in de huiskamer, een voor mij en een voor ons moeder die ook ziek was geworden.

Ook ben ik nog in het Johannes De Deo ziekenhuis in den Bosch geweest voor mijn oren. Bij dokter Oostvogel, ik ging liever naar d’n Ijsvogel in den Bosch, voor een lekker ijsje, dan naar d’n Oostvogel.

Voor mijn oren ben ik later ook nog in Nijmegen behandeld in het Radboud ziekenhuis, ook daar nog een kleine operatie ondergaan.

Ik meen geen nadelige gevolgen van al deze toestanden overgehouden te hebben. Je nam gewoon de dingen zoals ze kwamen. Er waren in die tijd geen cliniclowns e.d. Als je geluk had was er een aardige verpleegster die eens wat extra tijd voor je nam.

De gezondheid van mijn vader liet ook wel wat te wensen over. Op 47 jarige leeftijd openbaarde zich een aangeboren hartkwaal. Dat hield in, geen zout, niet meer roken, geen borreltje meer op de gepaste tijd. En niet meer werken, alleen nog voor heel goede klanten, voor zijn broers en kinderen. Na enige tijd vielen de goede klanten af, daarna de broers en op het laatst werkte hij alleen nog voor zijn kinderen. Geen zout meer was voor hem ook een ramp, het eten smaakte niet meer. Als m’n moeder dan eens aardappelen voor hem bakten waren we nog jaloers ook en wilden natuurlijk ook gebakken aardappelen. Het gebeurde ook wel eens dat ons moeder zich vergiste en we zoutloos brood mee naar school kregen. Over de problemen van het stoppen met roken heb ik nooit iets gemerkt, ook het niet mogen drinken van een borreltje gaf schijnbaar geen problemen. Na z’n 65ste dronk mijn vader weleens een glaasje bier of een glas kersen op brandewijn. Mijn moeder zei dan Kees (Kees let op) m’n vader antwoordde dan “Het kan maar vijf minuten schelen Anna”. We moesten er als kinderen ook op letten dat onze pa zich niet kwaad maakte i.v.m. eerder genoemde hartklachten. Dit viel voor ons kinderen niet altijd mee, je mocht ook niet brutaal zijn of een grote mond hebben. De gezondheid van  onze pa legde wel wat druk op ons gezin, maar legde toch geen zware stempel hierop!

Agrarisch dorp.

Udenhout was in mijn jeugd nog wel een agrarisch dorp. Bij Christje Mathijssen hielpen we spelenderwijs met het agrarisch werk. Zoals het overscharen van de koeien. De koeien werden lopend van de ene wei naar de andere gebracht. Zo liepen we van Christjes boerderij aan de Kreitenmolenstraat naar z’n weiland aan de Kuil. Je kreeg dan drie koeien achter je aan. Vooral als ze na de winter uit stal kwamen was het een spannend avontuur. De koeien wilden dan nog weleens rare sprongen maken. En Christje had duidelijk aangegeven dat je de koeien vast moest houden. En je wilde je natuurlijk niet laten kennen ten opzichte van je kameraden.

Hooien.
Ook tijdens het hooien werd de buurtjeugd ingeschakeld. Vooral als het losse hooi naar binnen moest. Je mocht dan op het losse hooi spelen, hooi dabben of dappen. Het ging dan goed vastzitten, zodat er veel meer hooi op de zolder ging. Best spannend, de hooi zolder had een hele slechte vloer met veel gaten erin. Je was bang om er door te trappen. We gingen ook dabben bij van de Wouw in de Mortel samen met Jan en Ad van Ingen en Rinus Mathijssen. Hier werd zout door het hooi gestrooid om broei te voorkomen Na afloop dronken de boer en z’n knechts bier of ’n borrel, de jeugd kreeg limonade. Je voelde je er op zo’n moment echt bijhoren.

De slacht.

Ook hing in die tijd het varken nog geslacht op de leer, met de blauwe stempels van de keurmeester erop. Het bakhuisje bij Mathijssen had voor mij ook iets, hier zou mijn opa Sjef van Iersel nog brood hebben gebakken voor de hele buurt.

Melkfabriek.

Ook bij de melkfabriek was ‘t ’s-Avonds een drukte van belang.  Met de aanvoer van de volle melkbussen die op de lopende band werden geplaatst. Je mocht dan met een hamer de deksels los slaan zodat de machine de bussen kon kantelen en legen.

Ook mocht je helpen bij het bieten of mangelpeeën rooien(voederbieten oogst). De bieten uittrekken, koppen en op rijen leggen. Koppen wil zeggen het groene lof er met een scherp mes afslaan. Deze werden s-winters aan het vee opgevoerd, je mocht ze dan door de mangelpeeënmolen draaien, zodat ze in schijfjes werden gesneden.

Miet Mathijssen, de boerin zorgde voor de kippen. Zoals de vrouw op de meeste boerderijen voor de kippen zorgde. Met Pasen legde de kippen meestal gekleurde eieren. We brachten de gekleurde eierschalen terug en jawel hoor enkele dagen later werden er weer gekleurde eieren gelegd. De eierschalen werden vroeger wel vaker teruggebracht, dit ter aanvulling van de kalkbehoefte van de kippen.

Ook het dorsen van de tarwe was een spannend gebeuren. De schoven werden uit de mijt gehaald en in de dorskas gedaan om gedorst te worden. Een gebeuren met veel herrie, stof e.d. Je moest maar een beetje op een afstand blijven, wat ver weg van die herrie en die draaiende riemen.

Gilde St Antonius en St Sebastiaan

Het gilde St Antonius en St Sebastiaan leidde een slapend bestaan en moest opnieuw tot leven gewekt worden. Mijn vader raakte hierbij ook betrokken samen met de heren de Kort (of Korthout?), Chr. Hoogendoorn en Schoonus (broer van Kees Schoonus?). Bestuurlijk moest alles opnieuw op poten worden gezet, het verenigingsleven geactiveerd. Er kwamen nieuwe vendelzwaaiers waarvan ik er een was. Het vendelen moest helemaal opnieuw worden geleerd. Ook de dieptrom moest opnieuw bespeeld worden, ik had gehoord – of het waar is? – dat mijn opa Martinus Scholtze erop gespeeld zou hebben, nou dat wilde ik ook. Ik kreeg hiervoor les bij Hoogendoorn aan de van Heeswijkstraat. Ook mocht ik mee naar café Boslust waar de schutsbomen stonden opgesteld. Je mocht ook weleens mee schieten. Ook ging ik mee naar het Koningschieten waar ook Burgemeester Verhoeven en Pastoor Prinsen aan deelnamen. Het Koningschieten vond plaats op een driehoekig weilandje aan de Kreitenmolenstraat over het spoor. Aan mijn lidmaatschap kwam een einde na een conflict dat mijn vader als penningmeester had met het bestuur. Een zoon behoorde toch solidair te zijn met zijn vader.  Onze pa moest naar een vergadering bij Boslust in het najaar met winderig en regenachtig weer. Van zijn hartspecialist mocht hij niet fietsen met slecht weer, maar even naar Boslust moest toch kunnen. Tijdens de vergadering wenste de heer de Kort de boeken in te zien welke mijn vader vergeten had. De heer de Kort gelastte mijn vader de boeken op te halen, wat gezien het slechte weer slecht voor zijn gezondheid was. Hij weigerde, ging wel naar huis maar niet terug naar de vergadering en het gilde. Een mooie tijd werd hiermee afgesloten, jammer voor ons en voor het gilde.

Wat bijverdienen

Om in de vakantie wat bij te verdienen ging onze Mari wel werken bij Harrie van Iersel, boomkwekerij Udenhout. Ook ik ging in de paasvakantie helpen voor 60 cent per uur. Planten mee poten met van Rooij een oud mannetje van over d’n overweg. Hij maakte de plantgaten en ik hield de planten erin. Als hij moest plassen ging hij geen halve meter van je af staan. Op een keer verdiende ik ƒ1.25 per uur. De arbeiders bij van Iersel konden werk aannemen, hun gewone weekgeld en daarboven een premie voor het aantal geplante eikenboompjes. Ze huurden dan zelf een mannetje in om de lijn te verplaatsen en eiken bij de lijn op afstand neer te gooien. Onze Mari moest weer naar school en ik mocht zijn plaats innemen voor ƒ1.25 per uur. We plantten meer dan 11000 eiken per dag en Harrie van Iersel hielp zelf nog mee, boven de 10000 was er schijnbaar nog een extra premie. Wel hard werken, de hele dag hard lopen maar je voelde je toch wel een hele kerel. Vooral ’s-Morgens als je in de Groenstraat bij de schuur stond tussen al die grote mannen en het werk werd uitgedeeld.

Scouting St. Lambertus

De scouting heette in de jaren vijftig nog gewoon welpen en verkenners. Mijn broer Mari was al lid van de verkenners, dus voor mij was het logisch om ook bij de welpen te gaan. Voetballen bij R.K.S.S.S trok me niet zo aan, bovendien was ik ook geen sportliefhebber. Vele van mijn klasgenoten waren of gingen ook bij de welpen. Voor mijn gevoel was de scouting bovendien ook wel een vereniging voor de middenklasse, alhoewel middenklasse geen vriendelijk woord is. Je kon vanaf je acht jaar, derde klas, bij de welpen. De welpengroep werd horde genoemd en bestond uit vijf groepen, nesten genoemd. Elk nest bestond uit acht welpen, een hiervan was de gids, een ander de helpergids. De andere zes waren gewoon welp. Ik was lid van het grijze nest en heb het nog tot helpergids gebracht. De leiding bestond toen nog uit dames zo vanaf 16, 18 jaar en ouder. Akela was de hoofdleidster, geassisteerd door Baghera en Raksia Schoonus, Baloe Oerlemans en de zus van Joop van Rossum. Akela was niet mijn type, ik vond haar stuurs, wat uit de hoogte en niet zo kindvriendelijk. Raksia en Baghera hadden een hart voor de kinderen en voelden hen veel beter aan. Als er eens iemand in bed plaste tijdens het kamp hing Akela de dekens zo te drogen dat de hele horde ze kon zien hangen. Raksia en Baghera hingen de was achter, daar had immers niemand iets mee te maken. Het was al erg genoeg voor de betrokkene.  We gingen vaak naar de Udenhoutse duinen om daar allerlei spelletjes te doen. Naast sport en spel behoorde de horde ook opvoedend bezig te zijn. Hiervoor waren allerlei activiteiten, zoals de eisenkaart waarmee je de tweede en eerste ster kon halen. Ook waren er allerlei insignes te behalen. Ook de katholieke opvoeding werd bij de welpen niet vergeten. Tijdens de kampweek gingen we ’s zondags naar de parochiekerk (kreeg nog strafpunten omdat ik niet goed stilzat)en verder in de week naar het verkennerskamp waar kapelaan van Erven een kerk tent had, gemaakt door Christje Pennings, kleermaker van beroep. Ook hadden we een Mariahoekje dat dagelijks versierd diende te worden. Ook hoorde je alles te weten van je patroonheilige. Een hele prettige tijd heeft het scoutinggebeuren me gebracht. Alleen het rangen en standen gedoe stond me wat tegen. Het heitje voor een karweitje in de paasvakantie was leuk om te doen, je kwam overal en je kreeg nog geld toe voor diverse klusjes zoals, fietsen poetsen, stoep vegen en boodschappen doen. Na de lagere school kon je overstappen naar de verkenners, deze groep was voor jongens van 12 tot 18 jaar. Ook hier had je groepen, patrouilles, van acht jongens met een Patrouille Leider PL en een HPL Hulp Patrouille Leider. Bovendien had je nog een TL Troep Leider, Vaandrigs en een Hopman. De hiërarchische structuur was hier nog sterker dan bij de welpen. De PL en de HPL waren echt aanwezig en straalden gezag uit. Wel of niet gepast, gewenst, ongewenst of pedagogisch. Sport, spel en opvoeding speelden hier een grote rol. Zo mocht een goede verkenner geen frites gaan eten bij de automatiek van P. Haen. Je behoorde perfect in uniform te zijn, dus altijd een korte broek zomer en winter. We kwamen tijdens de bittere kou met een lange broek naar het troephuis hetgeen door hopman Pennings werd afgekeurd. Volgende week allemaal in de korte broek incl. hopman Pennings. Hij had een broek gemaakt tot op de knie en sokken tot aan de knie, maar het was een korte broek. Terwijl er jongens waren met echte korte broeken tot aan de blote k……. Ook het kamp was geweldig, zelf koken, nachtspel, sjouwen in een onbekende omgeving. De hiërarchische structuur van de vereniging paste echter niet bij mijn aard zodat ik het lidmaatschap heb opgezegd. Maar al met al was de scouting toch een mooie tijd voor me. De derde generatie van Iersels (2004) is nu bij de scouting.

Huiselijke sfeer en gebeurtenissen.

Ook hier moest veel gedaan worden, om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Het was vaak een zorgen voor de winter.

Zo haalden we hout bij van de Voort, eikenschabben, om op de zaagbok kapot te zagen zodat je de hele winter kon stoken. Voor kerstmis werden vaak geen kolen gestookt. Ook diende je dunne aanmaakhoutjes te maken. De kachels gingen ’s-nachts uit zodat je deze iedere morgen weer moest aanmaken, vaak moeders werk. -Ik denk nu nog vaak aan m’n moeder als ik ’s morgens de kachel opstook door het gaskraantje open te draaien.- Kranten erin, dunne houtjes erop, soms wat petroleum en dan aansteken, als de dunne houtjes branden kon er het dikkere hout op. Je kon voor ons moeder nooit genoeg hout klaarzetten. ’s-Avonds waren de manden altijd leeg, mijn opa zei schijnbaar altijd dat vrouwen nooit geld en hout genoeg hadden.  Je kon ook dennenappels gaan rapen in de bossen en drogen. Deze waren dan erg geschikt om de kachel mee aan te maken. We raapten ook kroten (dennenappels) voor tante Ant en da familie Botermans. Je kon dan ook nog een centje bijverdienen. Ook werden er in de zomer kolen en briketten gekocht bij de Nooij uit Loon op Zand. Ze kwamen op het station van Udenhout aan en dan verder getransporteerd naar de klanten. ’s-Zomers waren de prijzen lager. Tante Ant hield ’s-nachts de kachel aan en rolde daartoe de briketten in een vochtige krant. In de voorkamer werd vaak alleen op zondag gestookt.

Gasflessen.

Er werd bij ons vaak gekookt op butagas. De gasflessen werden gekocht bij Toon van Vlokhoven. Het vervelende van gasflessen is dat ze opraken. Dan moest je erop uit voor een nieuwe. Als de gasfles bijna leeg was kon je hem nog even op zijn zij leggen, dan kwam er nog wat gas uit, of nog eens mee schudden. De meeste mensen hadden een reservefles zodat je nooit zonder zat. Maar bij ons thuis was dat niet het geval vanwege het statiegeld dat je moest betalen. Het rare s dat de gasflessen meestal op zondag leeg gingen en dan mocht je naar Toon van Vlokhoven voor een nieuwe. Vervelend om op zondag te veld te moeten. Toon vond het niet zo erg als je op zondag kwam, maar zijn zus was daar (terecht) niet zo blij mee, maar je kreeg al mopperend toch een fles gas mee.

Ook diende de kelder gevuld te worden voor de winter.

De aardappels werden geleverd door Jan Bertens, zo’n 400 kg werd de kelder ingedragen. In het voorjaar begonnen te schieten en werden steeds slapper. Totdat de boerenbond met een antispruit middel kwam. Wat poeder erover en de aardappels bleven bijna tot de nieuwe oogst goed.   We hadden thuis een grote hof, zoals bijna iedereen in de Kreitenmolenstraat. We hadden direct voor en achter het huis een siertuin, dan verder achter het huis, de konijnenkooien, wat fruitbomen en verderop de moestuin voor de groente.

Maar eerst even over de voortuin, de voortuinen in Udenhout hadden bijna allemaal hetzelfde stramien. Meestal een rechthoekige tuin of vierkant, omgeven door een ligusterhaag van zo’n 80 cm hoog. In de vierhoeken en in het midden een Hortensia, het middenperk was vaak rond de hoekperken hierop aangepast. De paadjes waren meestal verdiept omgeven door meizoentjes, vergeet-mij-nietjes of paarse primula. Allemaal plantjes die zelf te kweken waren door scheuren of zaaien, het mocht niet veel kosten. Ook waren thee- of muurbloemen, snoffeltjes (anjers) en lievermannekes populair. Later zo rond 1965 kwamen de gazons meer in gebruik en ook de perkplanten deden hun intrede, daarvoor moest je naar Sjef van Beurden aan de Schoorstraat. Udenhouts Belang organiseerde jaren lang een “Tuintjesactie”  Je kon je daar voor opgeven en dan werd je voortuin jaarlijks gekeurd, hiervoor kreeg je punten. De tuin met de meeste punten was winnaar. Op een jaarlijks georganiseerde avond werd de winnaar bekend gemaakt. Deze mocht dan als eerste kiezen uit een keur van planten en andere tuinartikelen. Dhr. van den Hout uit de van Heeswijkstraat was vaak winnaar. Wij werden ook een keer eerste (onze Mari) toen er ook een winterkeuring was ingevoerd.

De achtertuinen waren minder aan “het gebruik, het normale” gebonden. Na de siertuin stonden bij ons de konijnenhokken, hier kom ik later op terug. Hierna kwamen de fruitbomen, met daaronder gras voor de konijnen zo’n vijftig tot zestig stuks. Huub van Gorp kwam de fruitbomen nogal eens snoeien.

Hierachter de moestuin of op z’n Udenhouts gezegd d’n hof. Nelis Bertens bezorgde ons in de winter een vrachtje mest, die over d’n hof gekruid diende te worden. Ook de inhoud van d’n beerput was een welkome aanvulling met betrekking tot de bodemvruchtbaarheid, evenals de eerder genoemde mest van de konijnen. Behalve de beer kwam er ook nog krantenpapiertjes uit de put. Je moest toch ergens je gat mee afvegen. Het spitten of spaoien ging met een voor. Eerst een voor uitkruien van voor naar achter, dan een voor afzetten en de ene voor in de andere spitten enz. enz.  Als er een beetje temperatuur kwam kon je gaan poten en zaaien. Te beginnen met dop en schelerwten. Mijn moeder was een Rijense en had het over schelerwten in plaats van peulen, ze had het ook over labbonen i.p.v. tuinbonen. Ook spinazie en keeltjes (raapstelen) werden tijdig gezaaid om vlug te kunnen genieten van verse voorjaars groente. De spinazie ging nog weleens moeilijk vanwege slechte groei en doorschieten.  Hierna kwamen de andere groente, zoals sla, worteltjes e.d. aan de beurt. Ook koolplanten werden gezaaid en uitgepoot. Anders waren er altijd nog planten te koop bij Sjef van Beurden aan de Schoorstraat. Een koolplantje voor een cent. De knolvoet was een gevreesde ziekte bij de koolplanten, maar voor een bestrijdingsmiddel kon je altijd nog terecht bij de boerenbond. Zware bestrijdingsmiddelen in de vrije verkoop ook aan jongens van een jaar of twaalf.  De zilverui en de augurken waren gewilde artikelen bij ons thuis om in het zuur te leggen. Vooral grote zilveruien. Ook de breek en snijboontjes waren van belang voor de weckfles. Zo’n kleine 500 weckflessen van een halve tot anderhalve liter kwamen vol. Aardappels kwamen bij ons in de hof niet voor, vanwege de aardappelmoeheid en de strenge controle hierop. Hannes Bertus zorgde voor de wintervoorraad. Later in het seizoen kwamen de wintergroente zoals andijvie, winterwortelen en diverse koolsoorten zoals spruiten en boerenkool. Ook witlof behoorde tot ons assortiment. Alle groente en fruit die overbleven of slecht houdbaar waren gingen in de weckfles en later in de diepvries. Van witte kool werd in de Keulse pot zuurkool gemaakt. Toen de hof werd vrijgegeven van aardappelmoeheid werden er natuurlijk ook aardappels en tomaten verbouwd. Mijn vader was een kei in het maken van allerlei jams van aardbeien en kersenjam tot rabarber en tomatenjam toe.  Toen Mari op de Kibo zat mocht of moest ik de hof omspitten samen met ons Nel. Een heel werk, een lid van pa z’n kaartclub kwam over en zei je kunt toch maar zien dat het maar jongens is, zo ongelijk allemaal. Weg trots. Ik herinner me ook dat ik samen met onze pa de worteltjes welke op rijen waren gezaaid moest uitwieden. Ik ging in mijn jeugdige overmoed mijn vader voorbij. Pijnlijk voor hem, zo door je jongste zoontje voorbij gewerkt te worden, zoiets vergeet je niet gauw.

Konijnen en mesthaantjes

Een verhaal apart, die konijnen bij de fam. van Iersel. Onze pa had meestal in het voorjaar zo’n tien konijnen in het hok zitten. Een ram en de rest voedsters ook fooien genoemd. Soms moesten de konijnen ook wel eens een week op vakantie bij d’n Bout, fam. v.d. Ven. Er moest immers wel eens ander bloed aan te pas komen. Ik wist wel waarvoor maar m’n vader dacht schijnbaar van niet. Na zo’n korte vakantie, lag er een maand later een nestje jonge konijntjes in de kooi. Het aantal konijnen kon in die tijd wel oplopen tot zo’n zestig stuks.  Als deze een beetje bekwaam waren en het weer was goed en het gras lekker mals dan gingen al deze jonge konijntjes in een grote ren op het gras. Deze ren werd iedere dag verplaatst, om ontsnappen te voorkomen legde we er een rand stenen omheen. Het gebeurde eens dat m’n vader kunstmest had gestrooid om meer grasgroei te krijgen. Door de droogte waren de kunstmestkorrels niet geheel opgelost en werden door de jonge diertjes opgegeten. Het gevolg een grote sterfte onder de konijnen populatie. Maar ja, de voedsters konden nog weleens op vakantie.  Een ander voorjaar was nog rampzaliger, een drachtige hond van de buren, ik meen een Groenendaler, sprong uit een 2.5 meter hoge kooi om in de buurt de konijnenkooien open te springen en de inhoud de kop af te bijten. s Morgens lag de hond weer rustig in zijn hok. De gehele populatie was uitgemoord. De jeugdleden van de postzegelclub vonden dit zo erg voor meneer van Iersel dat ze spontaan nieuwe konijnen kwamen brengen. Maar het gebeuren herhaalde zich spoedig weer. Onze buurman Tinus Kouwenberg zag sporen van een hond in de dauw en is deze nagelopen, en kwam zodoende bij de hond uit die weer keurig in de kooi lag. Een onderzoek naar de maaginhoud was niet mogelijk, daar de hond drachtig was. Maar de aanwezige haren aan de kooi leken verdacht veel op die van de hond. Opnieuw zorgden de leden van de Jonge Filatelist voor nieuwe konijnen. Ook werd een schadevergoeding overeengekomen. Toen pa eens in het ziekenhuis lag, hoorde ons Leen een hond bij de konijnen, wel of niet waar. Maar zo’n ramp als voornoemd mocht niet meer gebeuren dus werden de konijnen elke avond in de waranda (serre) gezet. Zo met Kerstmis werden een veertig konijnen verkocht à raison van ƒ.10.–. Hiermee konden mooi de wintervoorraad kolen betaald worden. Oma van Iersel van Heesch kreeg ook altijd een konijn met de kerst. Ze kluifde hierna nog dagenlang op de botjes. Als je vroeg heeft het gesmaakt oma, dan zei ze steevast het smaakt naar meer. Wij aten in de winter iedere zondag konijn. Op zondag een lekker stukje vlees, op maandag iets minder en op dinsdag nog lekkere jus. Zo kwamen we de wintermaanden wel door. Onze pa maakte ook heerlijke hazenpeper of moet ik zeggen konijnenpeper, het was naar een speciaal van Iersels recept.  In maart werden vaak zo’n honderd eendagskuikens gekocht om vet te mesten. De eerste dagen lekker onder de warme lamp. Met goed eten en drinken groeiden ze voorspoedig op. Voor de eerste maaltijd werden drie haantjes geslacht. Maar de overige haantjes groeiden maar door. Bij de laatste maaltijd hadden we nog maar een haan nodig. In tegenstelling tot de konijnen at je de hanen tegen. De laatste hanen gingen daarom de weckfles in, om op een later tijdstip opgegeten te worden.

Water

Een eenvoudig en gewoon onderwerp maar toch waard om te vermelden. We hadden thuis tot begin zestigerjaren nog gewoon pompwater.  Ook de buren zoals de fam. van Delft, tante Ant Scholtze, Net van Ingen en de fam. Roefs hadden pompwater. Wij hadden twee pompen in de keuken, welke iedere week door ons Nel gepoetst moesten worden inclusief overloopkraantjes en zwengels. Ook het koper van de voordeur kreeg een poetsbeurt. Twee pompen was een luxe, een voor het water uit de regenput en een voor het water uit de wel, uit de grond dus. De buren hadden allen maar een pomp, alleen voor regenwater. In een lange droge zomer raakte dit regenwater op en kwamen diverse buren bij ons water halen uit de wel, deze is bij mijn weten nooit op geweest. Wassen met welwater gaf een gele was hetgeen voor een goede huisvrouw, wat mijn moeder toch was, een ramp betekende. Toen mijn moeder zere armen kreeg van het pompen en de waterkwaliteit van het grondwater minder werd is bij ons pas de waterleiding aangelegd en aangesloten. Mijn vader heeft nooit meer lekker water gedronken, het leidingwater had volgens hem geen reuk of smaak.

Waterafvoer

Ook het afvoeren van het gebruikte water was verschillend per buur. Bij van Delft liep het gebruikte keuken of mooswater gewoon via een afvoer naar buiten. Met oude stenen was een gootje gemaakt van zo’n 20 meter lang. Het water liep verder de hof wel in en zakte vanzelf in de grond. Bij Jos Lommers maakten ze een meters lange sleuf van zo’n meter diep, hierin werden takken gelegd, musterthout, en vervolgens weer dicht gegooid. In deze sleuf met hout liep het mooswater ondergronds weg en zakte vervolgens in de bodem. Bij ons en bij Roefs hadden we een moosput. Deze werd door de hand gegraven door Kees Schoonus. Kees was erg lang en kon dus ook diep graven. Op het laatst werd de grond met emmers en een touw opgehesen. Als de put op diepte was, mogelijk 5 tot 6 meter, werden de randen los volgestapeld met afgekeurde stenen van de steenfabriek. Eiken schabben van, van der  Voort erop, grond erop en niemand zag er meer iets af. Jaren later als de schabben verrot waren, zakte de grond in en dacht je weer aan de put, er moesten immers nieuwe schabben op. Een notenboom die jaren later op de put werd geplaatst wilde niet echt groeien en legde het loodje.

Nog een tussendoortje

Doorspelen, bij ons werd met oudjaar doorgespeeld. Er werd gekaart en wel van het oude jaar naar het nieuwe jaar. Er werd met vier of met z’n vijven gerikt, een echt Brabants kaartspel. Speelde je met z’n vijven dan moest er om de beurt iemand overslaan. Dus het woord doorspelen komt van dit gebruik.

Slot

Ik ben begonnen met me voor te stellen als Martien van Iersel, zoon van Cornelis Arnoldus van Iersel en Anna Petronella Scholtze, Nu aan het eind van dit verhaal ga ik verder op mijn eigen weg, een nieuwe leven tegemoet, naar werk bij boomkwekerij van den Bom te Oudenbosch, het huis uit, op kamers. Onze pa en ons moeder hebben het goed gedaan. Meegegeven wat nodig was, een goed thuis, een goede schoolopleiding, bagage om mee verder te kunnen. Misschien hoort u later hoe het me vergaan is samen met Liane aan de Drimmelaarstraat te Oudenbosch.

De wekelijkse wasbeurt

Het was in Brabant een goede gewoonte om in de loop van zaterdagnamiddag of avond de kinderen in bad te doen. Zo ook in Udenhout.  Er werd met een industriegasbrander in een ketel, of in het fornuis dat we van Willem van Lamoen hadden gekregen water gekookt. Het fornuis werd met hout gestookt. We gingen in een grote teil, die in de bijkeuken stond, in bad. Eerst de meisjes Nel en Leen, was er iemand in bad geweest dan ging er wat water uit de teil en nieuw heet water erbij. Daarna waren de jongens aan de beurt. Ik het laatst omdat ik het zwartst, vuil was. Weer wat water eruit en nieuw water erbij. Ik ging als vierde en kwam er ook nog schoon uit. Maar het ging blijkbaar overal zo, ik kan me niet herinneren dat we twee maal per week in bad gingen. Na de wasbeurt werd er ook schoon ondergoed aangetrokken. Ons Leen en ik hadden nogal eens zweren op de benen, deze werden voor het naar bed gaan met zalf ingesmeerd en met verband ingewikkeld. Later heb ik dokter van Keep hier nog eens over gesproken, het had te maken met de algemeen heersende hygiëne.  Maar mijn ouders hadden volgens dokter van Keep, naar de sfeer van de tijd, de hygiëne goed in acht genomen. Verder wasten we ons iedere morgen en avond voor de gootsteen, hoofd, handen en benen, vooral die lichaamsdelen die te zien waren. Toen we groter werden gingen we met een bak water naar de rommelzolder om je daar van top tot teen te wassen. Daar we pas laat waterleiding kregen hadden we geen douche of badkamer. Na de verbouwing kregen we een ligbad en douche, helaas was de boiler maar 80 liter, en onze pa zuinig met het verwarmen van het water dit i.v.m. de kosten. Zo kon het gebeuren dat je in bad wilde en de boiler leeg was.

De kauw of tjam

Bij tante Ant die tegenover ons woonde op Kreitenmolenstraat 101 huisde altijd een nest kauwen in schoorsteen, hetgeen niet bevorderlijk was voor een goede trek. Mari van Ingen klom er dan wel eens bij om de kauwennest te verwijderen. Dit gebeurde meestal in het late voorjaar als de kauwen net uitgebroeid waren en nog te jong om uit te vliegen. Je ving dan twee vliegen in een klap, de nest kon je verwijderen en de jonge kauwen doden om vermeerdering te voorkomen.  Maar je kon ’n kauw of tjam ook goed zelf opvoeden en tam maken.  Zo’n tjam werd in de schuur in een doosje gelegd en met de hand bijgevoerd. Meestal brood gedrenkt in water of melk. Op deze manier werden de vogels goed mak en gingen aan je wennen.  De tjam raakte gehecht aan z’n baasje, z’n omgeving en aan de gewoonten in en rondom het huis. Mijn vader dronk altijd om half elf een kopje thee met mijn moeder in de kleermakerij boven. Meneer kauw wist hiervan en zat prompt om half elf voor het raam om een stukje beschuit af te bedelen. Ook vloog hij mee naar school, of ging er alleen naar toe om op het raam van mijn klas te tikken. Fr. Louis opende dan het raam om er enige aandacht aan te schenken of hij hem binnenliet weet ik niet meer. Buurvrouw Weijters was niet zo gecharmeerd van onze vogel, ze zouden n.l. blinkende voorwerpen weghalen, zoals ringen en lepeltjes die voor een open raam lagen. Toontje Boers, een buurman enkele huizen verderop liep graag met de buks rond om wat op vogels te schieten. Zo ook op onze kauw, verdriet alom, een mandje met stro als bedje mocht niet meer baten, na een dag was de vogel overleden en de familie verdrietig, vooral onze Mari naar ik me herinner.

St. Nicolaas vieren

Wij zullen vast geen St. Nicolaas vieren gezegd hebben maar Sinterklaas of Sinterkloas. Sinterklaas kwam op 6 december rijen, maar daarover later meer. Sinterklaas begon op school, met het leren van liedjes en het kleuren van mooie prenten. Ook woonde Sjaksjoer op de schoolzolder, zo kon hij je het hele jaar door in de gaten houden. Boven de ingangen was een soort dakkapel met een deurluikje. Als je daar voor ging staan met z’n allen en begon te zingen Sjaksjoer, Sjaksjoer enz. dan liet hij zich op een gegeven moment weleens zien met roe en zak natuurlijk. Sjaksjoer was een kwaaie en Pedro de goeie. Ook kwam Sinterklaas met zijn Pieten alle klassen bezoeken, te beginnen bij klas 1 en zo verder naar klas 6. De inzet van de Pieten werd steeds heviger naar gelang de jongens ouder werden. Bij ons thuis was het natuurlijk de schoen zetten en ’s morgens kijken of Sinterklaas gerejen had. Bij een zangpartij kwam er een pakje door de schoorsteen naar beneden, de kachel moest van zijn plek om de in de roetla te kunnen kijken of er iets in lag. Ons Nel ging altijd strooien bij van Ingen, een zwarte handschoen aan en strooien door de keukendeur. Net strooide ook weleens uit de televisie, niemand die het in de gaten had. De mooiste dag was toch 6 december. Om 4 uur begonnen we al te roepen, is Sinterklaas al geweest, heeft hij al gerejen? Nee nog even wachten, het is nog veels te vroeg. Om 5 uur weer roepen, zo rond 6 uur mocht je naar beneden, even kijken en dan weer terug. Van dat terugkomen kwam natuurlijk niks en van slapen helemaal niet meer. De tafel stond uitgetrokken tegen de warandakant aan, met daarover heen een wit tafellaken. Met suikerbeestjes was de tafel in vieren gedeeld, voor ieder een vak, met cadeautjes en een brief. De brief had zowel vermanende als goedkeurende en bemoedigende teksten. De cadeautjes bestonden uit speelgoed en nuttige geschenken, naar mijn gevoel nu altijd volop. Ook suikerbeesten gebakken door ome Piet uit Rijen. De hele dag was je in de weer met je eigen spullen en die van een ander. Maar je ging ook bij de buren kijken of Sinterklaas goed gerejen had. Nou zo te zien kwam niemand iets tekort. Ook bij tante Ant en bij tante Door mochten we de klomp uithalen. Later bij oma van Iersel van Heesch, een appel met wat rijksdaalders en guldens erin en een chocolade letter. Altijd weer spannend. Een heerlijke tijd, later toen we groter werden werd het surprise avond, eerst lotjes trekken en dan surprises maken, voor thuis, school en voor de diverse verenigingen.

Bevrijdingsdagboek Udenhout

door Cornelis Arnoldus van Iersel
14 september 1944 – 1 november 1944

Udenhout, 14 september 1944.

Beste Frater Martinez,

’t Is avond. Ons Tante Martina zit met onze kleine jongen te spelen. Tante Ant ligt in een luie stoel. Anna zit te naaien en ik ga uit verveel u een brief schrijven. Een brief waarin ik u ga vertellen over de belevenissen van de laatste weken. Wij maken het tot op heden nog goed. Wij zijn gezond; leven wel in angst en spanning maar tot heden is op enkele pannen en ruiten na in Udenhout alles nog onbeschadigd gebleven. Aan ons huis mankeert nog niets. Hopelijk kunnen we dat over een maand u nog ’n schrijven. We hebben anders een angstige tijd achter de rug. Het gedonder begon voorgoed op dinsdagavond. Ik zal u het een en het ander in de vorm van een dagboek vertellen.
Het zijn allemaal veel herinneringen, maar ik veronderstel dat m’n geheugen me toch
nog niet in de steel zal laten.

2 september zaterdag.
Het is onrustig hier in Udenhout. Vele Duitsers trekken hier over de Bossche weg richting den Bosch. Hele colonnes vrachtwagens aan een gesloten. Wij weten niet wat er zal gaan gebeuren. “Verdere distantiëring in Frankrijk te verwachten” stond in de krant. We beginnen er iets van gewaar te worden.

3 september zondag.
Het is nog dezelfde toestand. Zondagmiddag waagde ik me met onze kleine Co het tweede zoontje van onze Piet op de Bosse weg. We waren er tien minuten Quatre Bras voorbij toen er opeens Engelse jagers verschenen.Van alle kanten klonk het afweer vuur.
Ik als de donder van de fiets af. Maar daar er nog steeds Duitsers over de straat trokken leek het me toch gevaarlijk daar te blijven. We zijn toen de eerste de beste binnenweg ingegaan, en zo langs binnenwegen weer naar huis gegaan. Onderweg nog ‘ns moeten schuilen voor het schieten voor het vele schieten. Toch nog behoudens thuis gekomen.

4 september maandag.
Geruchten de Engelsen zijn hier ze zijn daar, ze zijn ik weet niet waar al. Een ding stond bij ons vast. Ze komen dichterbij. Met dichte drommen ging het de grote weg over alle richting ’s Bosch. ’s Avonds ging ik naar de EHBO oefening. Onderweg werd ik staande gehouden door ’n paar mensen welke me verzochten enkele zieken uit de Van Heeswijkstraat te laten vervoeren daar de vertrekkende Duitsers van plan waren, het z.g.n. mobilisatiecentrum in de lucht te laten vliegen. Dat dit bericht grote schrik teweeg bracht laat zich begrijpen. Daar we met voldoende EHBO ers waren was vlug aan het verzoek te voldoen. Toen naar de kleermakerij , de voornaamste spullen in de kelder in veiligheid gebracht en daarna naar huis waar het onstellende nieuws ook bekend geworden was.Ondertussen was onze Pa,Moeder en Door plus kleine loge Co bij de tantes gekomen. Het hele huis vol met angstig wachtende mensen. Angstig was het. We wisten immers niet wat er gebeuren zou. Na 10 uur lieten zich de eerste ontploffingen horen. We gingen zo af en toe ‘ns buiten kijken maar er was nog niets te zien. Later bleek dat deze ontploffingen vanuit Rijen waren. Daar heeft het er toch ook nogal ontspannen. Ongeveer 11 uur begon het hier. Wezenlijk de ramen stonden te trillen. We gingen al ‘ns buiten kijken, zo achter het huis. Een rode gloed kleurde de hemel. De ontploffingen, waaronder zeer zware bleven voortduren. We korten de tijd met het bidden van ’n paar Rozenhoedjes, en nik met op de grond te liggen slapen; maar toen was het ergste voorbij. Om drie uur kwam Ties Heessels ons roepen om eens buiten te komen. De straat was vol mensen. Het branden was verschrikkelijk. Het centrum; vier grote prachtige magazijnen stonden in lichter laaien. Verder: de landbouwschool, hutten op de steenfabriek, welke ook als opslagplaatsen gebruikt werden. Het parochiehuis en de school op de Biezenmortel welke ook als magazijnen gebruikt werden. Op vijf plaatsen kleurde de rode gloed de hemel, als even zo veel tekens dat de Duitsers Udenhout verlaten hadden en dat ze datgene dat ze niet konden meenemen aan vernietiging ten prooi gaven. Een garage was ook in brand gestoken, recht tegenover Botermans. Deze brand was gauw geblust en de burgers aan het ruimen. Alles wat nog bruikbaar was is weggesleept. Goede buit is er niet gemaakt. Het was meest oorlogsmateriaal en daar kunnen wij mensen al niet heel veel mee aanvangen. Onze perfecte brandweer was al spoedig in actie. Het achterste deel van de Landbouwschool, welke in brand stond werd al snel geblust, daardoor bleef de school gespaard. Door het overspringen van de vonken dreigde het huis van de gebroeders van Lamoen ook vlam te vatten, dit door het actief optreden van de brandweer voorkomen. Hulde aan het kranige vrijwilligers korps. Eindelijk begon het te lichten en was de nacht voorbij. Troosteloos waren de nog brandende ruïnes. Vele burgers waren nog aan ’t speuren iets bruikbaars te vinden. Nu en dan kwam er nog ‘ns een Duitser, ’n achterblijver meenden we. Maar wij waren vrij! In onze mening althans. Het zou anders uitkomen!

5 september dinsdag
Lust tot werken nihil. Ik bleef thuis om onze Anna wat te helpen, en wat boodschappen te doen. Ik was juist op de boterfabriek, om melk en boter te halen, toen een felle slag de fabriek deed daveren. Wat nu weer? Kaatsheuvel! De munitievoorraden in Kaatsheuvel gaan de lucht in. Dat was wat. Hetzelfde gespetter als hier maar daar tussen door slagen! Die het huis deden schudden. Eerlijk frater, felle donderslagen waren maar kinderrammelaars in vergelijking met dat geweld. Gevaar bleek er niet bij te zijn. Angst hadden we genoeg. Maar het viel toch nogal mee. Aan het lawaai waren we al meer en meer gewend. We schrokken op het laatst niet meer.

6 september woensdag
Geen Duitsers te zien, wat ’n genot. Maar blijft den Tommie? Hij was al in Goirle gesignaleerd. hij kan toch allang hier zijn! Breda was in Engelse handen, volgens de geruchten welke kant gingen ze dan nu uit? Deze geruchten bleken zoals zoveel anderen niet waar te zijn. Het werd weer een geduldig afwachten.

7 september donderdag
Deze nacht slecht geslapen. ’n Uur of twee was het toen ik wakker werd van gedruis. Ik kon het niet definiëren, wist niet wat het was. Zachtjes m’n bed uit en gekeken. De straat was vol wielrijders. Ze riepen wat tegen elkaar, ik verstond er niets van. Ja, dat waren ze! “Anna, ik denk dat de Tommies er zijn!”. Geen rust had ik meer, ik vroeg uit het bed en de straat op …… Duitsers……. wat een teleurstelling. We dachten, we zijn er goed door, maar we kwamen van de drup in een donderbui!. Alle gebouwen ineens weer vol.
’t Werd nog erger.

8 september vrijdag
Soldaten die oorspronkelijk hier geweest waren kwamen ‘ns kijken hoe hun vernieling geslaagd was. Ze kwamen natuurlijk tot de ontdekking dat niet alles was verbrand en dat het een en ander gekaapt was. Hierop volgde bij velen die in de buurt woonden huiszoeking. Veel werd er gevonden. Verschillende personen werden gearresteerd. Hoe zal dat alles aflopen? Op de Biezenmortel hadden de boeren enkele auto’s finaal uitgekleed ook daar werden er veel gearresteerd.

9 september zaterdag
Rijwiel vordering. Vele rijwielen werden in beslag genomen. Ook die bij mij kwamen ze bekijken. Daar ik echter lid was van de L.B.D. ben mocht ik m’n rijwiel behouden. Wat zal de volgende dag brengen? Dit is een vraag die we ons dikwijls angstig afvragen.

10 september zondag, 11 september maandag
Geen bijzonder nieuws. Alleen veel Duitsers in Udenhout. We gingen maar weer aan ’t werk ook.

12 september dinsdag
Geen nieuws. ’s avonds kwam een Duitser vragen om voor hem te werken. Goed m’nheer. Ja wat anders. (Originele tekst niet goed leesbaar door kopiëren )

13 september woensdag
Nog meer Duitsers in Udenhout. Thans met zwaar en licht afweergeschut plus artillerie.
Rondom Udenhout werd de zaak in stelling gebracht. Dat ons de schrik om het hart sloeg kunt ge begrijpen. We namen toen, niet gaarne de allernoodzakelijkste voorzorgsmaatregelen. Onze goede kleren en ons linnengoed borgen we in de kelder. Ook levensmiddelen, verder pakten we het noodzakelijkste in koffertjes om bij een eventuele vlucht alles bij de hand te hebben wat noodzakelijk is. Werkelijk we hadden angst. Van werken kwam natuurlijk weer niets.

De andere dag donderdag 14 september ging het beter. M’n Duitse werkman was niet gekomen. De Duitsers trokken weer weg, wij blij. Ze gingen naar Utrecht en naar Eindhoven. Voor ons part………….. als ze hier maar weg zijn. Wat erger was, er waren treinen gekomen met legervoorraden. Dit is slimmer. (slimmer d.w.z. erger, slechter).
15 september vrijdag.
Geen nieuws. Wel veel vliegtuigverkenningen. Alles bleef rustig tot,

16 september zaterdag.
Het begon al vroeg in de morgen. Het was n.l. acht uur in de morgen toen de eerste Engelse vliegtuigen de trein onder handen namen. Dit was van korte duur. Het was maar een voorspel. De trein vertrok. Rond negen uur werd de trein in de akker onder handen genomen. Op de Berkelse weg gingen drie Tilburgse mensen met een stootwagen. Deze zochten dekking, maar zetten hun wagen met de burries omhoog. Vermoedelijk is deze manoeuvre voor in stelling brengen van afweergeschut aangezien. Hoe het ook zij, de piloten namen die mensen onder vuur. Een was op slag dood. De twee anderen zwaar gewond. Onder die bedrijven zaten wij in de schuilkelder. Nauwelijks waren we weer aan ’t werken of ik werd als LBD man opgeroepen om hulp te verlenen. Het aanzien was werkelijk verschrikkelijk. Een dode, twee anderen die zich in hun bloed lagen te wentelen vol pijn en benauwenis. Dokter en Pastoor waren al ter plaatse. Na daar hulp verleend te hebben gingen Dokter en Pastoor naar het station, waar ook hevig geschoten was. Gelukkig waren daar geen slachtoffers. Ondertussen was het wachten op de ziekenwagen. Na twee uur werden de mensen pas vervoerd.
De aan het station geparkeerde trein was in brand geschoten. De ene ontploffing na de andere volgde. De huizen daar kort in de buurt werden daardoor gedeeltelijk vernield.
C. Scholtze kreeg een stuk van een projectiel binnen waardoor het huis gedeeltelijk vernield werd. Het brandde steeds voort. De ene wagon na de andere en de ontploffingen waren niet van de lucht. We dachten we zijn er weer door. Het verschrikkelijkste moest echter nog komen.
Avond 10 uur. We zaten rustig bijeen toen er geweldig hard op de deur gebonsd werd. We schrokken ons naar. Ik ging opendoen. P. Haen stond aan de deur te schreeuwen, “Kees vlug, aan het station is een granaat op de brandweerwagen geslagen. Er zijn verschillende zwaar gewonden”. Daar nou. Voor de schrik nam ik een tas koud water. Ging kalm m’n fiets halen met de verbandtrommel. Ondertussen had ik Haen doorgestuurd naar H. van Laarhoven. Ik ging Luus Berendonk ophalen en met ons tweeën spoedden we ons naar de plaats van het onheil. Wanneer ik onderweg mensen schimmen zag riep ik “Luft Schuts”Enkele malen kwam het antwoord “Varen sie Weiter”.
Aan de ingang van de losplaats werd ik aangehouden door Jos Verspeek, die wees me de weg naar de gewonden. Ant Dekkers was er zwaar aan toe. Voordat ik hem kon helpen hielp van de Loo mijn hulp in. Hij had een diepe vleeswond aan zijn bovenarm waarbij de slagader was doorgesneden. Snel afhandelen en met snelverband verbinden was het werk van een ogenblik. Toen ging ik naar Dekkers. De dokter was intussen al gearriveerd. Hij onderzocht Toon. Ernstige borst en buikletsels. Vlug ondergedekt. Alleen het ziekenhuis en operatief ingrijpen kon nog redding brengen. Ik had al mensen weggestuurd om de brancard. Het duurde nog al even voordat ze er mee waren. Dokter belde om de ziekenwagen. Deze kon aanvankelijk niet komen, wegens gebrek aan gas. Na enig onderhandelen waar bij van hier uit benzine werd beloofd voor de terugtocht zouden ze komen. Na een half uur arriveerden ze dan ook inderdaad. Toon klaagde intussen over de ongemakkelijke ligging en pijn in de bovenarm. We knipten de jas open. Een zeer grote diepe vleeswond was zichtbaar. Door dokter assistent werd den arm verbonden. Het duurde nog even en daar was de auto. Goddank. Toon met de andere twee van de Loo en Antoon Vlokhoven welke aan de arm en hand verwond was konden weg. De dokter gaf goede hoop op herstel. Tijdens het in de ziekenauto brengen beleefden we de grootste angst. Engelse vliegtuigen kwamen en gooiden lichtkogels af. We waren als de dood zo bang voor een bombardement of beschieting. Gelukkig trokken ze af. Een trein passeerde nog en we waren blij dat het zo goed afliep. Zodra de patiënten weg waren als de donder op de fiets en de gevarenzone uit. Een zucht van verlichting ontsnapte me toe ik weer veilig thuis was. Een angst hield ik bij me; om geroepen te worden voor een beschoten Duitse trein en dan mee te moeten maken een tweede beschieting. God beware me daarvoor. ’s Nachts bleef ik op ’n paar stoelen slapen. Anna en de tantes gingen naar bed. Zo was er tenminste iemand direct bij de hand wanneer er iets bijzonders gebeuren ging. Er gebeurde niets behalve een paar laag overkomende vliegtuigen waarvan er een, een bom liet vallen en Goddank er gebeurde niets meer. Zondag behoefden we niet naar de kerk, de p;astoor heeft gedispenseerd, dit was het laatste nieuwtje van die dag.

17 september zondag
Anna en ik gingen toch naar de kerk. Er waren al vroeg vliegtuigen in de lucht. Ook werd er geschoten. Even zijn we in de kelder geweest. Maar toch niet lang. Om 2 uur begon er een grote Engelse overtrek. Massa’s vliegtuigen. Grote viermotorige, en vele met een aanhangend zweefvliegtuig. Een zweeftoestel moet er geland zijn bij Huize Assisie. De Duitsers zoeken de omgeving af. Dit waren de laatste gebeurtenissen. Waar zouden ze dit zaakje neergelaten hebben. Weer horen we van fietsen vorderen. Weer doemen er geruchten op. Burgemeesters huis staat in brand, het patronaat dito. We kunnen geen bevestiging van de geruchten krijgen en gaan kijken durven we niet.

18 september maandag
Geen bijzondere gebeurtenissen vannacht. Het eerste nieuws dat ik hoorde was echter bitter. Antoon Dekkers overleden. Het was niet om te geloven. Zijn ouders, die het nieuws al hadden horen zeggen, vroegen mij; of ik het bericht kon bevestigen” Daar ik het slechts had horen zeggen antwoordde ik ontkennend. Later ontmoette ik de dokter welke het treurige nieuws bevestigde. Arme vrouw en kinderen, God hebben Toon zijn ziel.
Op de voormiddag veel Engelse jagers in de lucht. Er werd dikwijls geschoten. Wij doken voor ’n kort tijdje de kelder in. Van werken kwam niets terecht. Op de middag kwamen er nog meer vliegtuigen. Het waren de voorboden van een nog groter transport als op zondag. En jawel om ’n uur of drie kwamen er nog meer luchtmonsters over dan zondag en toen waren het er al zoveel. De laatst komende waren zo laag dat we de afweerkanonnen duidelijk konden zien. Vele jagers waren erbij ook van die zilvervissen met die dubbele staarten zoals de G 1 uit het Hollandse leger. Jammer genoeg gebeurde er nog een ongeluk er mede. Vier toestellen werden voor onze ogen neergeschoten. Een kwam er brandend neer nabij de boerderij van van Iersel op het Winkel. De boerderij met bijbehorende gebouwen zijn tot de grond afgebrand. Van de zeven inzittenden waren er zes op slag dood, een is er afgevoerd naar Assisie. In den avond vroeg een Duitser aan mij naar het neergestorte vliegtuig. Ik gaf hem niet alle inlichtingen. Later viel ons zijn zonderling doen op. Was hij misschien een vriend van de verongelukte? Jammer dat, dat me niet eerder te binnen geschoten was. Van de andere gaan geruchten zoals; allen ontsnapt. Wat is er van waar? Er gaan zoveel leugens. Een ding is zeker. Het front komt naderbij. Deze toestellen moesten naar St. Oedenrode. Hoelang nog de schrik en de onrust. Het laatste is erger dan het eerste. ’t Is half tien en behoudens enkele Tommies die nog in de lucht zit is alles rustig. In de verte fluit nog een trein. Het personeel van de N.S. is in staking.

19 september dinsdag
Tot vier uur een rustige dag. Wat gemerkt maar niet veel omstreeks half vier begonnen de vliegtuigen weer te komen en werd er weer geschoten. ’t Viel toch nogal mee. Het enige pessimistische bericht; ons Door vertelde; een Duits en een Engels leger rukken met grote snelheid naar elkaar op. Zal ’t tot een treffen komen in de omgeving? Dat is onze bange vraag. Weer rukken er grote Duitse eenheden vanaf Tilburg over de Bosse weg richting ’s Bosch. Er gaan heden geruchten dat er reeds in Veghel geschoten wordt.
en dat de Engelsen oprukken langs het kanaal in de richting ’s Bosch. Wat zullen nu de Duitsers doen? Zich terugtrekken in de richting Zaltbommel, of de Engelsen in de richting Veghel tegemoet gaan? We zullen er het beste maar van hopen.
In de avond, de deuren staan te rammelen van het (waarschijnlijke) kanonvuur.
In de verte richting Oisterwijk kunnen we de lichtkogels zien hangen. Een mooi gezicht!
Kort bij ontploft er iets met een flinke slag. Wat zal de nacht weer brengen?

21 september donderdag
Daar er gisteren zich geen bijzondere gebeurtenissen voorgedaan hebben kan ik die dag gerust als zonder gebeurtenissen vermelden. Vandaag ook geen bijzonder oorlogsnieuws. Behalve de berichten over het leger dat het zwaar te verduren heeft tussen Nijmegen en Arnhem en over Best dat reeds vier maal van eigenaar verwisseld is. Tevens het verontrustende bericht de legers al terug en vooruit trekkend Tilburg nadert, waardoor Udenhout en omgeving nog eens danig in de klem zou kunnen geraken enz. enz. Berichten die ons om beurten verontrusten en gerust stellen. Blij en bang maken. Angst nog eens angst en geruststelling wisselen elkaar af. Wij kunnen niets meer als vertrouwen en hopen dat Hij die de wereld regeert ons genadig zal zijn.
Het grote dat te vermelden is; Antoon Dekkers is vanmorgen begraven. Het was een zeer indrukwekkende plechtigheid. De samenstelling van de stoet. Als eerste de leden van de H. Familie. Dan het zangkoor met het vaandel. De politie in volle tenue daarop volgde een deputatie van de L.B.D. Dokter, ondergetekende, Jac. Van Heijst, Jac. Schoonus en H. Van Laarhoven. De lijkbaar werd gedragen door de brandweerliedenin vol tenue. Een plechtige H. Mis met assistentie. Aan het graf werd gesproken door de brandweercommandant P. van Dam. Hij hield een mooie en treffende rede. Waarin hij de deugden der overledene noemde. God smeekte zijn ziel genadig te zijn, de familieleden trooste en Toon ons tot voorbeeld stelde. Zijn rede was mooi en indrukwekkend.
Onze L.B.D. is nog steeds aan het organiseren. Thans is er geregeld iedere nacht wacht. Drie EHBOers en een ordenance. ’t Was heden avond oefening waar we ook Dekkers als lid van de L.B.D. herdachten. Gasmaskers werden heden avond ook uitgereikt. Verder balans opgemaakt wat voor verband er nog aanwezig is, en dat is werkelijk niet veel. Er zal a.s. maandag door enkele dames worden rond gegaan voor lakens en slopen voor het noodlazaret. Terwijl het oude linnen tot verbandmateriaal verwerkt zal worden. Tot zover deze dag. We hopen, we vertrouwen en we vrezen.

24 september zondag
Vrijdag was het hier bijzonder rustig. Geen soldaat te zien, geen vliegtuig in de lucht. Zo was Udenhout voor ’39. We kunnen ’t ons bijna niet meer voorstellen dat Udenhout zo eens weer zal worden. Zondag namiddag kwamen de eerste soldaten Udenhout weer binnen. Daarmede ook natuurlijk de eerste vliegtuigen weer in de lucht. Uit was het weer met de rustige rust. Verder geen nieuws. Alleen geruchten dat het bij Arnhem niet goed gaat met de Engelse. ’t Behoeft hun ook niet altijd voor de wind te gaan. Vandaag kwamen er meer troepen in Udenhout. Meer vliegtuigen in de lucht. Schieten en ontploffingen weer te horen. Gisteren was het trouwens erg met de ontploffingen. Naar men zegt; ging de werkplaats van de N.S. de lucht in, met nog verschillende andere werkplaatsen. Het is weer angstig. Bij Johan Botermans zou een officier gezegd hebben; het front iedere dag dichterbij. Je behoeft er echter niet naar te verlangen, geen steen blijft op de andere wanneer het front hier zou komen. Andere geruchten hebben reeds artillerie opstellingen klaar gemaakt hebben in d’n Berkhoek. Van het laatste is niets waar hopelijk is het eerste ook gelogen. Hiernaast bij Jos Robben is er ook ’n officier in kwartier gekomen, een geschikte man leek het ons. Hij haat het ijzeren kruis. Hoelang nog? De tijd wordt iedere dag angstiger. Honger dreigt voor velen. Licht is er bijna niet meer. Waar moet dat heen?

25 september dinsdag
Ik had gisteravond geen zin om te schrijven, toch was de dag niet zonder bijzondere gebeurtenissen voorbij gegaan. De Duitsers behoefden maar 500 fietsen uit Udenhout te hebben, zij begonnen dus op straat alles wat rijbaar was op te vorderen.Toen aan de huizen bij van Roermund vier fietsen, andere plaatsen een, twee, drie of zelfs vijf. Ook bij ons kwamen ze. Mijn fiets lieten ze staan voor de L.B.D. Ik heb ze daar namelijk staan met m’n verbanddoos met rode kruisband erop. Tante Ant (Scholtze) mocht haar fiets na lang bidden en permiteren behouden. ’s Avonds ging ze het zoldertje op. Hopelijk is ze daar veilig. Gisteren werd er ook veel gevlogen en werd er ook geschoten. Fr. Verzeiden werd door de scherven van een granaat in de buik gewond. En een jongen van Schapendonk in de schouder en lies. Frans is ’s avonds nog naar het ziekenhuis in Tilburg gebracht. Hij is er erg aan toe. Mij kwamen ze ook nog roepen voor het vervoer. Hij zou namelijk met de brandweerwagen weggebracht worden. De motor weigerde echter en na twee uur prutsen kon hij pas rijden. Ondertussen was Frans met een rijtuig weggebracht. Vandaag waren de berichten omtrent hem niet erg gunstig. Over het front weinig nieuws. De Engelse hebben Turnhout bezet zo luidde de berichten. Tevens hun positie in Arnhem verbeterd. De Duitsers zouden tussen Eindhoven en Nijmegen doorgebroken zijn en kans gezien hebben troepen naar Duitsland over te brengen. Voor ons geredeneerd laat ze maar gaan. Verder geen nieuws. Alleen de steeds groter wordende zorgen, waarvan zullen we eten. En over 14 dagen geen elektrisch licht meer. Het vervoer ligt stil, geen kolen worden er meer aangevoerd, wat zal dat van de winter worden? Ons Anna klaagt, hoe moet ik wassen? De zeep is bijna op. Tante Ant is niet best te spreken want sinds ’n dag of tien slaap ik op ’n paar stoelen in de voorkamer even als onze Mari. Zo sukkelen we van de ene dag in de andere. Wat zal het morgen zijn? Onze EHBO weert zich kranig. Iedere nacht wordt er door drie man gewaakt plus een ordenance. Het is voor het geval dat er een ongeluk gebeuren zou om spoedig hulp te kunnen verlenen. Hopelijk behoeven ze geen dienst te doen.

27 september donderdag
De dagen rijgen zich aaneen tot weken. De weken tot een maand en toch blijft alles hier hetzelfde. Bange onrust. Ver in de verte horen we het kanon bulderen. Dan in die of die windstreek, waar zal het zijn? En hoe zullen de burgers het daar maken? Zal dat lot ons Udenhout ook treffen? Dit zijn vragen die ons beangstigen, ons lusteloos en moedeloos maken. We hopen het beste en vrezen. Maar afijn, we leven nog en we hopen nog. Behalve de geruchten waarin we niet meer geloven is er geen nieuws. Over dag geen elektriciteit dus ook geen . We wachten rustig af er is geen nieuws.
Vandaag een ernstig zieke naar Tilburg gebracht. Ons nieuwste vervoermiddel; de kolenbakfiets van P. Witlox. Bereidwillig beschikbaar gesteld door hem. Na het ding gereinigd te hebben en voorzien van de nodige rode kruizen werd de tocht aanvaard. Om het vele schokken te voorkomen hebben we de wagen geduwd. Het was een heel end. Maar de patient kwam toch goed in Tilburg. Onderweg eventjes angst gehad toen de Tommies boven de grote weg verschenen. Gelukkig vertrokken ze weer.
We hadden omtrent die fiets nog een een bespreking met de heren Jos Robben en van Oss. Beiden waren van oordeel, dat indien de fiets onderweg gevorderd zou worden , Witlox geen aanspraak op vergoeding zou hebben. Het was, volgens oordeel van die heren, een persoonlijke aangelegenheid waarvoor de gemeente niet kon instaan. Hoe we ernstige patienten naar Tilburg zouden moeten brengen. Indien Witlox zijn driewieler niet beschikbaar stelden was de heren niet bekend. Ons inziens is het een algemeen belang, maar meningen verschillen. De nachtwake gaat door. Ik heb de beurt gehad van zaterdag 30 op zondag 1 oktober. Gelukkig geen bijzondere gebeurtenissen. Alleen in de verte zwaar kanonvuur. Dat waken is ook een particuliere kwestie, althans volgens van Oss. Jammer, krijgt W. En Jos v.d. Ven geen uitbetaling meer voor een verlette dag.
’s Nachts waken en overdag werken dat gaat voor die jongens toch niet. Verder tot 1 oktober geen nieuws te melden.

4 oktober woensdag
Onze Mari staat in de box te zingen. ’t Wordt een verwend jong. Aan wie de schuld? ‘
’t Is vanavond toch zo maar somber. Geen elektrisch licht, hadden we eerst nog van 8 tot 11 uur vanavond is het erger. Oorlogsnieuws is er geen. De geruchten zeggen in Heusden en Alphen aan de grens wordt gevochten. Wel weten we dat Oirschot geevacueerd is evenals Best. Verschillende gezinnen zijn hier in Udenhout ondergebracht. Ook in Tilburg aan den kant van kanaal moeten de burgers de woningen ontruimen. J. v.d. Steen moet ook zijn woning verlaten. Waarheen? En ……… wanneer zijn wij daarmede aan de beurt. Anders geen nieuws. Alleen maar wat meer transport van Duitse wagens en in de verte kanongebulder. Gisteren heeft de EHBO zich weer eens verdienstelijk gemaakt. Een ernstig zieke Jan Heerkens hebben ze naar het ziekenhuis in Tilburg vervoert. Het vervoer had ook een vlot verloop.

6 oktober vrijdag
Gisteren is een lang verwacht ongeluk gebeurd n.l. zoals gewoonlijk waren weer enige kwajongens op de zo genoemde gas aan het spelen. Een van hen trok een lont van een granaat door waardoor het ding ontplofte. Een jongen van Hamers werd ernstig aan zijn hand en in z’n gezicht getroffen. Op bevel van Dr Lobach werd de jongen ’s avonds nog door Jos van de Ven en Jo Weijters op de fiets naar ’t ziekenhuis in Tilburg gebracht. Ze \moesten nog een fiets van een Duitser er voor lenen. Het transport had een goed verloop. Behoudens kanongebulder in de verte had de dag een rustig verloop. Vandaag, zwaar kanongebulder in de verte. Aan drie verschillende zijde van udenhout. De geruchten willen dat de Engelsen nog 5 kilometer van Tilburg af zijn. De hier gelegerde Duitsers beweren dat ’s Bosch, Tilburg en Boxtel sterk verdedigd zullen worden. Vannacht waren hier weer geweldige transporten doorgekomen. Het was een rijden. Hoe lang nog, is de telkens terugkerende vraag.

11 oktober woensdag
De laatste dagen had ik niet veel zin om ’s avonds nog gaan te zitten schrijven. Alles is nog hetzelfde in Udenhout. Alleen de zorgen drukken zwaarder. De zorgen voor de winter. Wat moet het worden? Het vervoer is kapot geslagen te water zowel als per spoor. Levensmiddelen worden schaarser. Aardappelen zijn zonder bon bijna niet meer te koop en wat ge in de winkel op de bon krijgt is een bedroefd klein beetje. Ook het zout is thans geratsoeneerd. Voor 88 cent is alles wat er op de bon verkrijgbaar was e dat voor vier grote en de kleine Mari. Boter, aardappelen en brood zijn hier niet bij inbegrepen. Na 11 uur ’s avonds hebben we geen licht meer. Ook al wegens de bezuiniging. Wat de oorlog betreft, weinig veranderingen. De Engelse schijnen zich terug getrokken te hebben in hun stellingen bij Turnhout. ’t Schieten is in de verte te horen, anders niets. Deze morgen kwamen er 7 tankwagens Udenhout binnen zetten. ’n Lawaai dat horen en zien verging. Grote monsters waren er bij. Zij zouden hier blijven. Het is te begrijpen dat we met die dingen hier niet blij waren. In onze fantasie zagen we die al slaag leveren met de Engelsen. Arm dorpje. Gelukkig rukten zij vanavond om 6 uur weer op. Ze gingen naar Bergen op Zoom. In Vlissingen zouden de Engelsen geland zijn !
Duitse soldaten deelden ons het doel van de reis mede. Ze zeiden ons ook dat we van deze pansters niet bang behoefden te zijn. Die hadden al mede gevochten in Rusland en de wagens waren om de andere dag stuk. Indien deze zaken waar zijn dan ziet het er met het Duitse leger er niet goed uit.
Om 10 minuten voor zes kregen we nog bezoek van twee Engelse jagers. Zij schoten in de Stationnsstraat (Kreitenmolenstraat). Een jongen van Hoslie werd gewond. Verder niets raak dan enige pannen en ruiten. Verder geen nieuws, angst is geen nieuws. De ene dag rekenen we uit dat; als de Duitsers terugtrekken en in Udenhout gevochten zal worden. De andere dag wordt volgens onze mening Udenhout zonder slag of stoot vrij gegeven. Een ding is zeker, we weten er niets van hoe en wat gebeuren gaat. We hopen en vertrouwen.

13 oktober vrijdag
Vandaag geen nieuws. Gisteren nog een vrouwtje naar het ziekenhuis gebracht. De EHBO doet haar dienst. Het is bewezen dat het een nuttige instelling is. Gisteravond mooie lichtkogels in de lucht gezien. Het was net vuurwerk. Jammer dat het zo gevaarlijk is.

14 oktober zaterdag
’s Morgens vroeg kwam onze pa vertellen dat de Duitsers van plan waren de mannen van 18 tot 45 jaar opgehaald zouden worden om te werken. Aanvankelijk was ik van plan binnen te blijven, doch daar er op straat niets te doen was en alles gewoon was ben ik toch maar gaan werken. Later bleek dat de Duitsers het bevolkingsregister hadden opgevraagd, en naar aanleiding daarvan is het praatje in de straat gekomen. (P.Vermeer had het register overgegeven) Toch was er wel iets aan het handje. ’n Poosje geleden zo ongeveer drie weken geleden is W. v.d. Voort gearresteerd. Er waren wapens gevonden in de werkplaats van Appels waar W. v.d. Voort bedrijfsleider was. Ook Appels en zijn zoon werden gearresteerd. Vermoedelijk daar mede verband houdende werden hier 11 personen opgehaald. Enkele waren ’s avonds weer op vrije voeten andere bleven weg, voor hoe lang? Oorlogsnieuws geen. Alleen kanongebulder in de verte.

17 oktober dinsdag
Front nieuws geen. Udenhouts nieuws, v.d. Brand en z’n zoon alsmede enkele anderen zitten nog vast. De Duitsers hebben zijn huis geplunderd. Het vee weggevoerd. Anderen zitten nog vast. De namen weet ik niet.

18 oktober woensdag
Heden hebben ze de boerderij van van de Brand en die van van Bijnen af laten branden. Deze mensen hadden ondergrondfs werk verricht, en onderduikers geholpen. De z.g.n. rooie Jan is er debet aan. Waar die vent vandaan kwam wist niemand, ook niet op wiens gezag hij commandeerde. Hij was te loslippig en was daarom niet te vertrouwen. Van het front weinig nieuws. Het rommelt onheilspellend in de verte. We krijgen een lazaret in Udenhout. In Oisterwijk moeten de geëvacueerden uit Best en Oirschot verder op. De Scheldemond is in Engelse handen, wordt verteld. Wanneer en hoe het einde?

20 oktober vrijdag
Geen nieuws van ’t front. Wel veel jagers in de lucht. Ook nog ‘ns even op Udenhout gedoken. Het gevolg; twee licht gewonden. Een jongen in de rug (?) geschoten en een ander aan de arm licht gekwetst door ’n scherfje.

22 oktober zondag
Zeer veel artillerievuur in de richting van ’s Bosch. Volgens de geruchten wordt er vanuit drie richtingen een aanval op de stad gedaan, de groepen resp. 8 en 12 km van de stad.

23 oktober maandag
Enkele km’s in de richting van ’s Bosch opgerukt. Ook vanuit Schijndel trekken de Engelsen in de richting van ’s Bosch. Vandaag weer veel soldaten in Udenhout aangekomen. Alle paardenvolk. Er werd weer veel vee gevorderd. Gisteren zijn van d’n Brand en zijn zoon weer opgehaald. Ook nog hun vee dat eerst inveiligheid gebracht was. Wie zou de verrader zijn?

25 oktober woensdag
Gisteravond ging het gerucht dat er sinds 2 uur n.m. in de stad ’s Bosch gevochten werd. ’s Avonds zou de stad in Engelse handen geweest zijn. Schijndel, St. Michielsgestel, Best en Oirschot zouden ook ontruimd zijn. Dit wordt verteld door mensen die het hebben horen zeggen van iemand die het had horen zeggen van enz. enz. Wel was het geschut duidelijker te horen. Gisteravond om 8 uur was er een zware slag. Later bleek dat dit de brug bij Koninghoeve geweeswt is. Veel ontploffingen zijn er vandaag te horen geweest. Alle bruggen en brugjes in Oisterwijk zijn de lucht ingegaan. Ook langs de wegen zijn vele bomen tegen de grond gegaan voor wegversperringen. Het front komt naderbij. In de verte is duidelijk mitrailleurvuur te horen. In de richting tussen Oisterwijk en Enschot was vanavond een flinke brand waar te nemen. Ook zijn hier in Udenhout verschillende kanonnen opgesteld. Vannacht zijn er weer veel transporten in de richting Loon op Zand vertrokken. Infanterie is hier in Udenhout gebleven. Het gevolg; fietsen, paarden en veevordering. M. Mathijssen raakte aan die heren 3 van hun 4 koeien kwijt. Wanneer zullen we van die af zijn? In de kleermakerij wordt nu hard gewerkt Leo en Jan zijn er iedere dag.

26 oktober donderdag
Gisteravond begon het gedonder. In de richting Boxtel was tot twee uur in de nacht kanonvuur waar te nemen. Vanmorgen on zeven uur begon het hier in de buurt. Afweer vuur en mitrailleurvuur is van dichtbij waar te nemen het is te hopen dat we geen artillerie vuur krijgen. Ik meende nog gauw wat melk gaan te halen maar het behoefde niet. Alles van de straat af en vensters en deuren dicht.
10.00 uur. Het begint erger te worden. Zojuist kwamen er twee Duitsers om m’n fiets. Van nr. 1 mocht ik ze houden. Nr. 2 wist mede te delen, alleen dokters mogen ze behouden. Fiets weg. Verdomme nog.
13.00 uur. Het is wat rustig geweest. Gegeten hebben we, Anna is met de afwas bezig, Tante Tina rust, Tante Ant ook, ik lees of schrijf of bewijs kleine diensten. Onze kleine Mari slaapt rustig in zijn wagentje het welk in ……. de kelder staat. Hij nu erg rustig, was van de morgen ook al vroeg op reeds om 7 uur. We hopen en vertrouwen er doorheen te spartelen.
16.00 uur. We zitten in de kelder. Zwaar vuur is er niet meer te horen. Zo af en toe nog ‘ns een schot. Mitrailleur vuur des te meer. Doch het verplaatst zich sterk. Was het eerst meer aan de spoorlijn te doen en toen pal in de richting van de Mortel. Nu is het meer in de richting van de Groenstraat. Zeer waarschijnlijk is het op de Heusdenschebaan welke voor de terugtocht sinds lang met letters was aangegeven. Nu op het ogenblik is het weer stil. Uit verveel hebben we vanmiddag een potje gekaart, Ties, Robben en ik.
Toen het vuren heviger begon te worden achtte ik het niet langer verantwoord om daar te blijven. Het was goed dat ik thuis was. Want het vuren begon erger te worden en een verdwaalde kogel hoorden we over het huis fluiten. De soldaten trekken in de richting van het dorp terug. Ik heb goede hoop dat het spoedig achter de rug zal zijn. Het gevaar is dan nog wel niet in het geheel weg maar toch grotendeels.
16.30 uur. Even zijn we uit de kelder geweest. Maar daar het buiten weer “luisterijk” begon te worden zijn we maar weer naar beneden gegaan. En op tijd. Buiten gaat het er als een oordeel. Ook weer zware ontploffingen zijn er te horen. Het komt me voor dat ik een auto of tank hoor aankomen. God sta ons bij is onze bede. Wij kunnen onszelf niet meer helpen nog beschermen. Moeder van Altijddurende Bijstand help ons in onze grote nood. Niet meer de bekende geluiden horen we. Er zijn er ook vreemde, Engelse? bij.
We hopen en vertrouwen.
Het is tien over vijf (17.10 uur) De bui schijnt af te drijven. Het schieten is meer verder af. Ook rijdt er iets door de straat, maar wat? Ik moest p……pen, heb het in een weckfles gedaan. Onze Mari slaapt rustig op Anna’s schoot. Het is de eerste keer in zijn leven dat hij dat uithaalt. We hebben hier in de kelder nog een Rozenhoedje gebid. Vanmiddag hebben we in de huiskamer er ook nog een gebid. We bidden hopen en vertrouwen.
Het is kwart over zes (18.15 uur) Rustig is het geworden. M. Mathijssen staat in brand. Ook in de Groenstraat is brand uit gebroken. Als we dit doorkomen zullen we (ik) zo goed als het in m’n vermogen is helpen.
Half acht (19.30 uur) onze buurman komt melden, Engelse tanks rijden door de straten. Even kijken, weer niks, weer niks te zien. In de verte horen we wel het gebrom van motoren, toch durven we nog niet te veronderstellen dat de moffen weg zijn.
Ongeveer 10 uur (22.00 uur) Ties komt me roepen. De straat staat vol volk. Ja het is zo, de Duitsers zijn weg en wij zijn vrij. We gaan op straat kijken. Zware en grote gevaartes rijden ons voorbij. Wij zwaaien, de mannen zwaaien terug. Ze weten dat ze bij mensen komen die hun graag zien komen, en wij begroeten hen als onze bevrijders. We hebben bij Robben een flinke borrel gevat. Toen naar Ties, daar dito. Jan van de Steen, Leo Liebregts en andere komen af en aan. We feliciteren elkaar.Vrij, Vrij. Hoe bestaat het, even de straat op. Even naar Joh. Botermans naar Jos Coppens waar we ook nog een borreltje pikten; en toen binnendoor naar huis. Ze maakten ons bij Jos wijs dat er nog Duitsers in de straat waren. Bij Ties een lekkere kop koffie gedronken. Christ Mathijssen was er ook. We hebben medelijden met hem en zijn familie. We zullen ons best doen om hem te helpen.
De nacht gingen we natuurlijk niet naar bed omstreeks 2 uur werden we nog eens opgeschrikt door kanonvuur. Het was dichtbij, we doken in de kelder. Er gebeurde echter niets meer.

27 oktober vrijdag
6 uur in de morgen. Anna komt goed nieuws vertellen, ik krijg een nieuwe fiets. Nou, gelukkiger kunnen ze me niet maken. Ik weet niet waar ze vandaan zal komen. ’t Kan me ook niet donderen, al komt ze van de……………….
9 uur. Ik ben de straat op geweest, melk wezen halen. Alles staat vol Tommies. Wat een materiaal. De kerels groeten vriendelijk terug. Toch is er naar geruchten een zware dag te verwachten. Tilburg moet vandaag nog vallen. De beide partijen zullen zich waarschijnlijk niet onbetuigd laten, en dan zitten we altijd nog in de eerste frontlijn. Als we deze dag en de dag van morgen goed doorkomen is het gevaar wel voort geweken. Nu zijn ze al z’n best aan ’t schieten. We zxullen vandaag nog wel n’s de kelder in moeten. M’n fiets is thuis gebracht, een mooie Duitse kar. Ik ben er erg blij mede. Hoewel, de onrust, huiszoeking of zoiets dergelijks de vreugde nog tempert. We hopen er goed door te komen.

28 oktober zaterdag
Gisteren is de dag rustig verlopen. “Rustig” De hele straat vol materiaal en mensen, namiddag artillerievuur. Geweldig maar het is eenzijdig. Eerst tegen 11.00 uur begonnen de moffen terug te schieten. In de verte konden we de kanonnen horen ontbranden, dan tellen tot 8, je kon dan het fluiten van de granaat horen, waarop de ontploffing. Gelukkig is er voor zover wij weten nog niets getroffen. We hebben vannacht op kermisbedden in de huiskamer geslapen. Na 12.00 uur was het vuren stil. Het begon om 7.00 uur in de morgen weer. Nu fluiten de Engelse granaten door de lucht. De moffen antwoordden sporadisch, maar ik ben bang van die enkele.
Zaterdagavond. Het bleek dat vannacht nverschillende Duitse granaten in ons Udenhout huizen getroffen hebben. Het café Verzeiden, en de koekfabriek Victoria hebben belangrijke schade opgelopen. Geen gewonden trouwens, wat dat betreft zijn we er goed van af gekomen. Er zijn bij alle gevechtshandelingen ’n drietal lichtgewonden en geen doden. De materiele schade is echter aanzienlijk. Vele huizen zijn licht beschadigd. Tal van boerderijen en ook burger woonhuizen zijn afgebrand.Om bij onze naaste buur te beginnen Mathijssen, Wed. Scheffers,Brobbers en C. Bronner. Onze kerktoren is ook beschadigd. Maar dat alles kan hersteld worden. Vandaag is de sport tegen de N.S.B. begonnen, en natuurlijk tegen andere Duitse vrienden. Van Ostade was de eerste die gearresteerd werd. Vervolgens Jos Schoonus en nog anderen. Ook de moffenmäls werden opgehaald. Morgen worden deze laatste op de kiosk de haren afgeknipt. Mooi gezicht zal dat zijn. Vandaag was het een mooi gezicht in de straat, vele vlaggen hingen uit. Na vier en een half jaar spontaan en vrij de driekleur. We hebben met enige ceremonie de vlag uitgestoken. Vanmiddag is de duin van moffen gezuiverd. Een poosje de artillerie erop, het resultaat, 115 gevangenen en 260 doden. Half negen is het nu, het gedonder van de kanonnen begint weer. In de verte ook de Duitse. Ik weet nog niet of de granaten op Udenhout en omgeving terecht komen. In spanning zit ik te luisteren. Affijn we hopen en vertrouwen. Druk in de straat is het anders wel geweest. Heel de middag is het trekkende geweest aan een stuk tanks en auto’s. Die kerels hebben materiaal! In de kleermakerij zijn jan en ik vandaag weer druk aan het werk geweest voor de Engelse soldaten. Ik doe het liever dan voor de moffen. We vragen er geen geld voor maar sigaretten en levensmiddelen. Onze oude soldaten zijn weer in actieve dienst. Zij zijn als bewakers, als hulppolitie ingedeeld. Met Duitse geweren paraderen zij door de straten en maken zich verdienstelijk voor het verkeer. Zo is het voor vandaag weer voldoende. We zijn gelukkig en danken God uit het diepste van ons hart dat Hij ons gespaard heeft. Moge Hij ons in de komende dagen die ook nog gevaarlijk zijn, daar we toch nog in de acute frontlijn liggen, ons onder Zijn machtige bescherming houden.

29 oktober zondag
We volgen met spanning de bevrijding van de naburige dorpen. Loon op Zand is ook vrij. Het heeft echter een dure prijs moeten betalen, 75% der huizen zijn beschadigd, 30% geheel verwoest. Er zijn vele gewonden onder de burgers en ook verschillende doden. Het laatste is erger dan het eerste. Het eerste kan nog hersteld worden. Ook Kaatsheuvel moet veel geleden hebben door het artillerievuur. De drukte in Udenhout is niet verminderd. Het is een rijden. Twee kinderen zijn er nog mede verongelukt, gelukkig niet al te erg. Namiddag om drie uur hadden we Lof met Te Deum. Er was niet veel volk in de kerk. Onder het zingen van het Te Deum daverden de Engelse tanks over de straat. We dankten O.L.Heer voor den uitkomst. Uit het grootste gevaar zijn we zonder bijzondere gebeurtenissen uit.

30 oktober maandag
Het verkeer is veel minder geworden. Ook het Engels geschut is grotendeels weg. Het is duidelijk dat het front aanmerkelijk is opgeschoven. We hebben vandaag alles uit de kelder en uit de grond gehaald en weer op z’n plaats gebracht. Ook de kleermakerij is weer wat op streek. Morgen of zeker na’den heiligendag ga ik weer aan ’t werken. Vandaag zijn er nog enkele Duitse gevangenen binnen gebracht. De heren schijnen de duinen nog niet verlaten te hebben. De boerderijen aan d’n duinwal zijn allen op één na afgebrand. De materiele schade is aanzienlijk.

31 oktober dinsdag
Een rustige dag geweest. Het verkeer is al veel minder. Goede berichten overdag en slechte ’s avonds. Geertruidenberg is ook vrij. De steden Bergen op Zoom, Rozendaal, Breda, Tilburg en ’s Bosch en de daar omheen liggende dorpen zijn vrij. De Langstraat nog niet. Het minder goede bericht, de Duitsers doen een tegen aanval in de richting van ’s Bosch. Hopelijk mislukt die. De Engelsen zenden met haast versterkingen naar dat front. Tal van auto’s en tanks gaan in die richting. Ander minder aangenaam nieuws; de artillerie schijnt ook terug getrokken te zijn. Hier in de buurt wordt tenminste weer zwaaar geschoten. Het begon tegen 10.00 uur. Van de eerste schoten verschrokken we weer. Hopelijk loopt alles toch goed af. Het zou te erg zijn als die moffen weer terug kwamen.

1 november Allerheiligen
Geen nieuws aan het Udenhouts front. In de duinen wordt nog gevochten. Vandaag zijn er nog enkele gevangenen binnen gebracht. Gisteravond nog een zieke of liever een gewonde met de EHBO vervoerd. Hij was van zaterdag op zondag door een Duitse granaat verwond. Een dode was er toen te betreuren, twee gewonden. Gefietst wordt er weer veel gedaan. De mof heeft toch alle fietsen niet mede! Nog een korte beschouwing over het Engelse leger en ik zal m’n dagboek wel kunnen besluiten, denk ik, echte oorlogshandelingen zullen er wel niet meer voor komen hopen en denken we. We zijn weer optimistisch geworden. De grote verschillen, welke mij en meerdere die ik gesproken heb zijn deze.
1. Hun overweldigend materiaal.
2. Niets nodig te hebben van de burgers, zelfs geen water.
3. De bedaardheid in hun optreden.
4. Niet dat kruiperige salueren en afsnauwen van minderen zoals bij de Duitsers het geval was.
5. ’s Zondags waren verschillende soldaten in de kerk, terwijl ook kerk gegeven
werd in de school voor de soldaten.
6. Geen dronken of kapende soldaten zoals in ’40.
7. In een woord geweldig

Memoires Petrus Cornelis van Iersel

Ik had Harrie een paar blaadjes met wat gebabbel gegeven .
Zijn reactie: “Vader waarom schrijft u niet”. Zijn schuld dus als ik jullie verveel.
Eerst even voorstellen, oudste zoon van Jozefus van Iersel geboren 27-8-1866, en Helena Roodklif geboren 25-11- 1876. Jozefus zoon van Peer, zoon van Hannes
(wiens handtekening te vinden is op de geboorte akte van ’t Schuttersgilde Sint Sebastiaan.
De van Iersels wonen al ’n paar honderd jaar in Udenhout en omgeving.
Omstreeks 1600 was er al een die aan de Latijnse school in Gemert studeerde.
’n beetje trots op die naam.
Bij de begrafenis van oom Leo werd over oom Leo gesproken, door een hagiograaf.
Hij had ’t erover dat oom Leo zo’n respect had voor de acht zaligheden, maar ’t ontbrak hem aan de humor (’n gebrek van veel hagiografen) om verband te leggen: Eersel is nou eenmaal van de acht zaligheden dus logisch dat iemand die die naam draagt zich aan de gedachte van die andere acht zaligheden verwant te voelen.
(Zalig zij die vervolging lijden omwille van de gerechtigheid, zouden wij dat niet kunnen uitbreiden tot; zalig die zich inzetten voor de gerechtigheid. Die vervolging
heb je niet in de hand, de inzet wel, hunner is het rijk der hemelen).
De andere kant. 1830 Belgische opstand ’n jonge Fries, Arnold(?) Roodklif meende dat ie er wat aan moest doen, nam dienst in ’t leger van de kroonprins en lag, na de tiendaagse veldtocht in kwartier in Oosterwijk , trouwde een oosterwijkse schone en bleef daar wonen. Z’n enige zoon Cornelis vroeg z’n vader of hij dienst mocht nemen in ’t Nederlands-indische leger. Geen bezwaar jongen , ik heb precies hetzelfde gedaan.Cornelis vocht onder van Huetz in Atjeh en op Borneo. Later hield zijn vrouw
(Maria van Erp) haar hart vast als ie ’s-zondags bij ’t toilet maken voor de Hoogmis z’n onderscheidingen opspelde want dan zag ze hem vooreerst nier meer terug. Bij thuiskomst kon ie dan soms verhalen vertellen als; ik heb er vandaag eentje ’t café
uitgeslagen. Die vent zat op z’n ouders af te geven. Hij had twee zonen Arnold en Gerrit en twee dochters Anna en Helena. Ontslagen uit dienst kwam hij de spoorwegen en hij wist te zorgen dat ook zijn beide zonen alsmede schoonzoon Sjef en diens broer (Gerrit) er ook bij kwamen.
Sjef z’n moeder was vroeg weduwe. Hij is tot z’n tiende op school geweest (en schreef zonder spelfouten) toen moest ie thuiskomen om met d’n os te ploegen. (ja dat is Brabants: je zegt niet de os, twee klinkers achter elkaar, dat klinkt niet). Dat duurde niet lang want moeder had ’n broer die al haar geld leende. Ze heeft er nooit een cent van terug gezien en zo werd Sjef boerenarbeider. Leerde Leentje kennen, maar Leentje had andere plannen ze wilde naar de missie werd zuster van kardinaal Lavigerie, eerst in Esch daarna in Algiers (zit later in de trein om zuster Anna die in Den Haag dient op te zoeken, tegenover ’n zich deftig voelende heer. He, he, wat duurt dat lang? “Nou mevrouw dan zou u eens naar Parijs moeten”. Ja, daar ben ik wel ‘ns geweest, U in Parijs? bij wat voor gelegenheid? “Ja ik ging toen naar Marseille! “U naar Marseille! ? “Ja, op weg naar Algiers” toen heeft hij ’t maar opgegeven. Daar bleef ze niet lang. Als we haar vroegen waarom, was altijd ’t antwoord “je kreeg daar margarine op je brood”
Sjef had gewacht. Moeder Marie zei: “Zeg maar ja tegen Sjef. Hij ziet er niet uit als ’n heer”.Nol en Gerrit wel)
Nol moest onder dienst maar zijn vader betaalde een remplaçant, maar je zult er nooit spijt van krijgen. -’n soldatenkistje leeft nog steeds. –
Ze trouwden april 1901, het huwelijk was nog veertien dagen uitgesteld wegens ’t overlijden van de laatste van m’n vier grootouders.
’t Werd een gelukkig huwelijk. Oom Nol – hij en pa hadden nogal eens ruzie – heeft me later eens gezegd: Ik ken niemand die zo goed was voor z’n vrouw als jouw vader. Wij hadden zolang moeder leefde een heerlijke jeugd. Niet rijk, pa verdiende
f. 9.75 per week op ’t station, waar hij volgens zijn zeggen heen ging om te rusten.
Als ie thuis kwam was ie weer boer, altijd ’n paar varkens, ’n paar geiten, konijnen, ’n grote tuin en nog een groter stuk land voor de rog, de aardappelen, de wortels en de voederbieten.
Een paar keer per week bakte hij brood van de rog die hij zelf gezaaid en gemaaid had. Er waren er heel veel die ’t veel armer hadden, die als ’t varken geslacht was ’t vlees moesten verkopen aan buren en verre kennissen. Uitponden heette dat. Wij aten ’s-zondags brood met ham, bij Mathijssen in de schoorsteen gerookt. (die stookte dan run) Toen ik ’n paar jaar geleden voor de eerste keer Ardenner ham at, herkende ik de smaak.
Verdriet bleef hun niet bespaard. ’t Eerste kind dood geboren, later twee overleden, Kees kinderverlamming, moeder nogal ziekelijk, en toch gelukkig. Ik heb nooit ’n hard woord gehoord. Pa, hij hield van stropen, hield er ook van een wandelingetje te maken. ’s-zondags in de zomer om te kijken hoe zijn rog en andere gewassen erbij stonden. Als ie dan thuis kwam bracht ie voor moeder ’n grote bos veldbloemen mee
met daartussen korenaren, trilgras en andere grassoorten. Later werden de verwelkte bloemen weggegooid, maar de rest werd bewaard, ’n paar strobloemen erbij en er stond in de winter een prachtige ruiter op de kast. Na de graanoogst leerde hij ons vliegeren. De eerste vliegers werden voor ons gemaakt. Later moesten we ’t zelf doen, ’n paar stukjes hout, wat papier en ’n paar koude aardappelen als plaksel. Hij was er zelf dol op. Moeder ook, ze hebben ’t samen versierd ’s avonds een vlieger op te laten met aan de staart een lampion met een brandende kaars erin. Hoe krijg je zoiets de lucht in? ’t verwekte nogal wat consternatie bij sommige bijgelovige mensen.
‘s -Zondags was ’t altijd voor ontbijt: spek in de pan, en dan je brood dopen in t hete spekvet. Heerlijk vonden we dat. Antje Scholtze kwam moeder dan ’n paar uur helpen. Ik zie ’t nog voor me, “Leen, is die half opgerookte sigaar van Sjef?” “Ja, waarom ?” “Dan rook ik ‘m op van ’n ander zou ik er vies van zijn”. Als Antje weg was zette moeder thee, ’n mooi kleedje op de tafel, de schort af, ’n sneetje koek erbij, en dan zaten we in blijde verwachting, want moeder ging voorlezen uit ’t familieblad, uitgave Kapucijnen Helmond. Ik kan nog ’n legende over de vlucht naar Egypte navertellen. Geen wonder, want toen op de bewaarschool de zuster vroeg wat er toen gebeurde werd mijn verhaal naar de prullenbak verwezen. Ik heb ’t haar nooit vergeven, er was meer om nooit te vergeven. Ja, die bewaarschool ’t zijn niet mijn oudste herinneringen . Eén keer heeft pa me naar dat schooltje moeten brengen want Pieterke verrekte het. ’t Was, op lange banken, ’n stuk of tien naast elkaar, mooi stil zitten, matjes vlechten en naar de zuster luisteren. Aan de wand hingen de sprekende letterbeelden van, van Wulfen. Wat had ik graag die letters geleerd, maar ’t kreng verrekte ‘t ( Geen mooie woorden die een zo’n vrome maagd nooit zou gebruiken) om er ons iets van te vertellen. Wel had ze ’t er uit den treuren over dat je geen vieze dingen mocht doen, net zolang tot je er vast van overtuigd was, dat vieze dingen doen wel heel erg lekker moest zijn, maar als j ’t deed ging je naar de hel. Dat was de eerste kennismaking met de R.K. indoctrinatie, ofwel hersenspoeling. De Russen zijn echt bij de kerk in de leer geweest, alleen geraffineerder. ’t Kerkelijk boekenverbod – isoleren – de kettervervolging – ’t alleen zaligmakende. Later zou ik er meer ontmoeten. Niet zozeer ’t catechismus onderricht maar de missie en de retraite. Er waren retraites speciaal voor verloofde meisjes. Daar leerden ze dat zoenen vies en naakt heidens is, zo willen ze de ander tegen maken waar ze zelf afstand van hebben gedaan.
Maar ik had ’t over m’n eerste jaren. Was ik twee of drie, toen ik op de stoof stond met ’n papfles met speen in m’n handen, er af viel, m’n linkerhand in de scherven. Antje nam me mee naar de zusters om me te verbinden. ’t was voor die bewaarschool. Dikwijls was ik ziek. Lang geduurd, ook b.v. toen de Titanic verging. Hekel aan medicijnen. Moeder riep oom Nol te hulp. Pieterke werd in een deken gewikkeld, oom Nol hield hem vast, maar niet zo goed of toen moeder met de lepel medicijn kwam , die lepel door de kamer vloog. De tweede keer lukte ‘t. Ik hoor nog moeders gil toen ze Kees uit de krib haalde en hij niet meer kon staan (kinderverlamming). Ik hoor nog haar klacht, Kees was geopereerd en liep met ’n beugel, na z’n bezoek aan de bewaarschool, moest ie onder ’t spulkwartier op ’n bankje blijven zitten,kijken. Over Kees gesproken, hij had ’n keer ’n mes in z’n hand.
“Mag niet van moeder”. Ik pakte ’t mes, net als hij de heft had hield ik ’t scherp. Ik won ‘t, maar ten koste van vier gesneden vingers.
1909, vijf jaar oud, nog een jaar en dan naar de fraters, de grote school. Juliana geboren, feesten in Den Haag. Oom Nol wilde erheen, tante Anna was keukenmeid bij graaf Dumonceau en haar familie was er altijd welkom. Haar vader en moeder waren er een keer geweest, toen de gravin ziek was. Oma moest aan ’t ziekbed komen, opa niet; ’n vreemde man bij ’n vrouw aan bed, dat kon niet. Ze waren wel streng de Dumonceau’s , toen Willem 111 schuinsmarcheerder nummer ẽẽn in ’t koninkrijk der Nederlanden met Emma trouwde, kwam Emma’s vader naar graaf Dumonceau. Ïk weet hoe mijn schoonzoon bekend staat wilt U zich als’t nodig is, over mijn dochter ontfermen”.
En Pieterke mocht mee. Oom Nol was spoorwegwachter, moest zo ongeveer elk uur in actie komen om de spoorbomen te sluiten enz. De rest van de tijd besteedde hij aan koffie drinken bij de buren en schoenen maken. Ter ere van de gelegenheid maakte hij voor mij een paar nieuwe schoenen, bruine nog wel. Ik zie mezelf nog in Utrecht over ’t perron stappen, trots als een pauw, vond ’t eigenlijk gek, dat niemand verbaasd stond over mijn mooie schoenen.
September 1910. Naar de grote school, naar de fraters en nou ging’t gebeuren vond ik; lezen, schrijven, rekenen, ’t kon niet op. ’t viel tergen, ’t ging me veel te langzaam. Ik herinner me ’n keer ik zat onder de bank m’n schoenen vast te maken, dat mocht natuurlijk niet, dat diende bestraft te worden. “Piet van Iersel en Piet ging door onder de bank, we lazen ’t lesje voor de vijfde keer, en ik kende ’t van buiten.
(Vinden jullie me n oude zeur, akkoord maar ja zie je, ik schrijf voor mezelf, ik geniet nog zo van die kleine dingen. ’n verwaand joch? In zeker opzicht ja, hij was graag nummer best, maar dat hield niet in, dat ie zich meer voelde dan ’n ander).
De school was ’n heerlijkheid ’n deel van de zandige speelplaats was overdekt, daar was ’n beugelbaan, er hingen twee trapezes en ringen. Op de speelplaats deden we aan verspringen, hoogspringen, pinkelen en diverse soorten tikkertje. ( pinkelen deden we ook op weg naar huis). Gymnastiek les hadden we niet, was voor ons niet nodig. In de winter hadden we sneeuwbalveldslagen en glijbanen. Op de grote glijbanen (slipperen noemden we het) mocht je niet als je schoenen aan had want daar werd de baan stroef van. Voor ons geen bezwaar in de winter droegen we klompen. Franske Doomen maakte ze voor 30 cent en dan maakte’n ie ze ook nog op maat. Als ’t erg koud was schepte moeder wat brandende kolen uit de kachel in de klomp. De klomp werd ’n paar keer heen en weer gehaald en was dan heerlijk warm. Na school, vrije dagen, vakantie, we verveelden ons nooit. Pa had al gauw ’n vlieger voor ons gemaakt en leerde ’t ons zelf te doen, ’n paar stokjes, wat touw, krantenpapier, en kouwe gekookte aardappels om te plakken. Hij maakte ons houten fluitjes, ’t is mij nooit gelukt. De bast kwam er nooit heelhuids af, leerde ons vogelnestjes zoeken, bloemen plukken voor moeder. Ook moesten we helpen in den hof en op den akker. Hier laat ik mijn persoonlijke visie achterwege.
Maar nou weer dat eten; Nou denk ik ineens aan een van onze godsdienstleraren, hij zag de ULO jeugd (te Hoorn) onder de pauze, “Heerlijk die jongens, ze hebben maar twee verlangens, spelen en eten”.
Eten was er in Udenhout genoeg, bramen, bosbessen, wilde frambozen, hazelnoten, wilde aardbeien, en dan had je al die tuinen waar je langs kwam als je naar school ging, met hun aalbessen en later appels, peren en noten. We deden ’t op zijn bijbels.
“Als je door de wijngaard loopt, mag je gerust wat druiven eten, maar je mag geen trossen mee naar huis nemen”. Die joodse wetten waren toch heel wat wijzer dan de onze. En in ’t najaar liep je langs de velden met hun gele wortels (peeën) en hun spurrieknollen. Als ik in school kwam zat er altijd ’n wortel onder m’n bloes. Nee, dat vonden wij en niemand, stelen. Ook niet als we van de pastoor z’n kastanjebomen met onze knuppels da kastanjes naar beneden haalden, om die daarna aan de pastoor te verkopen, voor z’n herten. Trouwens, de pastoor kon ’t moeilijk zelf doen, hij waardeerde onze bedrijvigheid. ’n Echte Brabander was ie.
’t Eten thuis was sober en overvloedig. De roggemik die pa bakte vonden we heerlijk, het varkensvlees in kuip en schouw ging lang mee. Zondagochtend was ’n feest; roggebrood, gebakken spek, en dan je brood in het kokende hete vet dopen. (Als Everdientje me dat nog eens voorzette). Veel groenten. Als pa z’n spinazie gezaaid had, z’n peultjes, z’n doperwten enz, enz, dan zag je een keurig perk, werkelijk om een plaatje van te maken. Verder liet ie ’t aan Onze Lieve Heer over, evangelisch gezegd. Hij wilde niet met ’t onkruid de goede planten uittrekken. Zijn oogsten waren overvloedig, alleen – niet evangelisch – het onkruid werd niet verbrand in de oven, maar na de oogst ondergespit, dat was zijn groenbemesting. Kun je geloven dat ik er nu van zit te genieten. Wat was hij een heerlijk man en wat hielden we van hem, bijna net zoveel als van moeder.
1912. Augustus, grote vakantie, tante Anna, moeders oudere zuster, (nog vergeten te vertellen, toen moeder oud 24 jaar trouwde wogen zij, Anna, Nol en Gerrit samen 800 pond ) logeerde bij ons. Ik ging over naar de derde klas. “Leen, kent Piet de tafels al?” “Ja” En tante ging aan Pieter leren hoe je 3489 x 8647 uitrekende.
“Leen, hij kan alle vermenigvuldingen maken, nou ga ik hem delen leren”.
Dat ging ook, ze hadden me toen wel ’n algebraboek kunnen geven, ik zou ’t verslonden hebben.
( En ? ja dan was’t de universiteit geworden en daarna ’n baan aan de universiteit. Zou ik dan gelukkiger zijn geweest dan nu? ’t was ’n andere vrouw geworden, andere kinderen. Voor geen geld zou ik ze willen ruilen. Zo’n heerlijk stel “kwaje rakkers”)

Maar 1912 was ’n rampjaar.
We waren met z’n drieën, Pieter, Kees en Harrie, we hadden een broertje gehad, die maar vijf maanden werd en ’n zusje Marietje, 20 maanden is ze geworden, ik hhor nog de gil die moeder gaf, toen ze stierf. Ze was zo blij geweest; eindelijk een dochtertje. Wij ook met ons zusje maar niet als ik met haar moest gaan rijden in de sportwagen van bamboe.
’n Paar weken later werd ’n broertje geboren. Moeder stierf in ’t kraambed, 6 december 1912. ’s Morgens hadden we bij haar mogen komen. Verlegen antwoordden we op haar vraag wat Sinterklaas ons gebracht had. ’t Was nooit zoveel geweest. Moeder stierf ’s avonds. We werden naar oom Nol gebracht, naast ons.
Ik hoor nog de drukte daaromheen. Ik zie moeder nog in de kist liggen. Nog steeds ’n kleur op haar wangen. Van de begrafenis herinner ik me niets, vaag de koffietafel daarna. Kind vergeet gauw, zeggen ze. Niet waar ’n kind past zich aan. Harrie ging met oom Gerrit mee, Kees en ’t kleine broertje kwamen bij tante Koos en oom Nol.
Ik bij tante Anna in den Bosch. Pa bleef in ’t huis. ’n Paar maanden later was ik ook bij oom Nol. Ik herinner me dat m’n nieuwe broertje stierf. Weer later kwamen Kees en ik bij pa. Voor hem ging’t moeilijk. Van de ene huishoudster op de andere. ’t Moet voor hem een vreselijke tijd geweest zijn. Voor ons niet. Pa was zo goed. Nooit een boos woord. Alleen vriendelijkheid. Een voorval herinner ik me. Hij had beloofd zondag gaan we met z’n drieën naar oom Gerrit bij Maastricht. Om half zeven naar de kerk. Kwart voor acht met de trein, ’n feest. Maar zaterdag kwam voor ons slecht nieuws. Pa moest van 6 tot 8 dienst doen op ’t station. Dan naar de kerk, dan konden we niet meer naar Maastricht. Pa ging niet naar de kerk. “Ik had ’t jullie toch beloofd”. We gingen naar Maastricht!

Oorlogsherrineringen C.A. van Iersel

C.A. v. Iersel

Deze oorlogsherinneringen zijn opgetekend door mijn vader C.A. van Iersel en destijds gepubliceerd in de Udenhoutse Wegwijzer, ca 1979. Diverse woorden zijn in het Udenhouts dialect geschreven, dit om de sfeer van het geschrevene te bewaren.

M.v.Iersel.

HERINNERING (1)

Geschreven door een oude Udenhouter. ’n Veertig vijftig jaren geleden was de meimaand een maand bij uitstek van Maria verering. De eerste zondag in mei werd in grote getallen opgetrokken naar de St. Jan te ‘s-Hertogenbosch om een groet te brengen aan De Zoete Lieve Vrouw. De meeste gingen per fiets en het was maar heel doodgewoon om de eerste H. Mis in de Capucijnen kerk welke om 6 uur in de morgen begon, bij te wonen. Na de mis werden de boterhammen bij ’n kop koffie gegeten, liefst in het café “De meijereise Kar”, in de Hinthammerstraat. Daarna nog een bezoek aan, “De Lieve Vrouw in de St. Jan. Waarna de terugtocht aanvaard werd. Anderen gingen te voet nar ‘s-Hertogenbosch en woonden dan de Hoogmis bij in de St. Jan. De terugtocht ging per autobus en voor de meest volharden ook wel eens te voet. Welker prestatie dan ook bewondering wekte. Het was dan ook meer om de prestatie, dan om de godsvrucht te doen. Hoewel dit laatste toch altijd een rol bleef spelen. Op andere zondagen werden diverse plaatsen als bedevaart bezocht, b.v. de H. Eik te Oirschot waaraan een vrome legende ten grondslag lag.

De meimaand 1940 bracht in deze een grondige verandering. De meimaand, ook de maand van de volop ontluikende lente, vol van beloften in de zich vernieuwende natuur ging een maand worden van diepe ellende van vernieling op grote schaal van natuur van dorps en stadschoon, van vernietiging van vele jonge levens, van blijvende verminkingen zowel naar lichaam als naar geest. Aan culturele en historische plaatsen werd onherstelbare schade aangericht. Het waren de Duitse legers welke oppermachtig als zij waren dood en vernieling brachten in het vredige en op oorlog slechts uitgeruste, Nederland. Op vele plaatsen werd fel gevochten, de weerstand was groter dan de Duitse legerleiding verwacht had. Het was de Duitse luchtmacht welke door de vernietiging van de binnenstad van Rotterdam en het dreigement anderen grote steden hetzelfde lot te doen ondergaan de toenmalige opperbevelhebber van het Nederlandse leger Generaal Winkelmand deed besluiten te capituleren. Udenhout was er in die tijd goed afgekomen. Het kwam niet in een frontlinie liggen er werd dan ook nergens gevochten en daardoor ook niet vernield. Van allee Udenhouters welke toen onder de wapenen waren is alleen F. v.d. Pas gesneuveld. Na de vrijlating der krijgsgevangenen door Hitler kwamen dan ook alle jongens naar huis terug. De bevrijding in 1944 wel een beetje anders. Er werd wel gevochten en vele huizen en boerderijen gingen in vlammen op. Vele geallieerden sneuvelden hier in Udenhout. De meeste zijn nadien opgehaald en op de officiële oorlogs kerkhoven herbegraven. Drie zijn er hier in Udenhout gebleven en zijn op Udenhouts kerkhof begraven. Het zijn:
Leger no. 795234 Trooper
M.H. Jones
Royal Tank Regiment
Royal Armoured Corps
Gesneuveld 26 oktober 1944 leeftijd 25 jaar.

Leger no. 2572632 Trooper
R.F. Black More
II T H Hussars
Royal Amoured Corps
Gesneuveld 28 oktober 1944 leeftijd 26 jaar.

Leger no. 14553078 Private
W.J. Curtis
The Queens Royal Regiment
Gesneuveld 28 oktober 1944 leeftijd 18 jaar.

Zij vielen in de strijd voor onze bevrijding. Hun graven zijn gekenmerkt door een eenvoudige uniforme steen. Even uniformeel als zij zelf de dood ingingen. Zij liggen thans tussen de Udenhoutse overledenen in. Als of ze heel dood gewoon to onze dorpsgenoten behoren.

HERINNERING (2)

We schrijven september 1939. Geheel Europa gonst van oorlogs geruchten en oorlog dreiging. Hitler oppermachtig na de dood van Von Hindenburg bezorgde in de dertiger jaren de geallieerden de ene nederlaag na de andere door alle verdragen van Versailles een voor een te vernietigen. De wapenfabrieken draaiden op volle toeren. De leuze van Goebbels: “liever kanonnen dan boter”, was een zeer duidelijk taal. Schoorvoetend volgden de geallieerden Duitsland in de bewapeningswedloop. Zij immers hadden rekening te houden met het pacifistisch denken van hun bevolking, en deze waren verre van oorlogszuchtig.
Door de gebeurtenissen in en om Duitsland gedwongen werden ook hier afweer maatregelen getroffen o.m. door het instellen van de B.B. ofwel bescherming burgerbevolking. Veel om ’t lijf had de B.B. hier in Udenhout niet. De Heer van Oss was tot algemeen commandant benoemd. Voor de geneeskundige en in deze hulp verlenende dienst was Dr. Lobach met diens trouwe assistente Zuster Buijs aangewezen. De E.H.B.O. welke in deze dienst ressorteerde ging onder genoemde leiding zich op een eventuele benodigde hulp voorbereiden. Dr. Lobach gaf les in de bestrijding van oorlogsgassen. Waarvan het mosterdgas en cloorgas de meest bekende en gevaarlijkste waren. Reeds in 1936 nam de E.H.B.O. deel aan een gasbestrijdingsoefening welke in Schiedam gehouden werd. Ook werden oefeningen gevolgd welke in Tilburg in de brandweerkazerne gegeven werden. Deze cursus was zo goed en volledig dat een der leiders van de E.H.B.O. deze cursus kon doorgeven in de gemeente Haaren.
Op 29 augustus 1939 werd in Udenhout de B.B. officieel. Aan alle deelnemers werd een zakboekje waarin nog vele instructies vervat waren, gegeven. Het hoofdbureau van de B.B. werd gevestigd in de Landbouwschool Stationstraat C 211. Hoofd van de dienst G.J. van Oss. Tel. 254 Bureau geneeskundige dienst gevestigd St. Felixgesticht, Hoofd J.L. Lobach tel. 281 Bureau ontsmettingsdienst gevestigd in Gemeentehuis. Hoofd A. Gommers tel. 235 Bureau herstel en opruimingsdienst gevestigd Gemeentehuis. Hoofd Jos Robben tel. 235, Politie gevestigd politiepost tel. 200.
Zo op papier was alles goed voor elkaar. Maar de benodigde martiale en oefeningen ontbraken nu ten ene malen. Eerst op 2 september 1939 werden aan de E.H.B.O. de gasmaskers verstrekt, op 7n september gevolgd door draag foedraal en E.H.B.O. band. Of de ontsmettingsdienst ooit een cursus gevolgd heeft of ontsmettings materiaal bezat is schrijver niet bekend. Zijn betrokkenheid met de B.B. was van dien aard, dat indien zulks wel het geval was geweest hij daar zeker er kennis van gekregen zou hebben. De E.H.B.O. had de beschikking over eigen materiaal, t.w.t. twee complete verbanddozen en één Winterbrancard. Deze was door de E.H.B.O. zelf aangekocht à F 65,- het was een opvouwbare brancard waarvan de draagstokken inschuifbaar waren en daardoor zeer gemakkelijk te vervoeren. Door haar uitgebreide vorm paste zij in vrijwel iedere personen auto en is al zodanig voor vervoer van zieken, gewonden en ook verkeersdode, meerdere malen gebruikt.
De bezuinigingsdrang van regering en plaatselijke overheden beletten behoorlijke maatregelen te nemen.

HERINNERING (3)

Het is begrijpelijk dat de E.H.B.O. zich de voornaamste taak het bergen van zieken en gewonden kreeg toebedeeld. Ontsmettings- en opruimingsdienst waren van minder belang. Het lag in de veronderstelling dat Udenhout die geen militair object van betekenis bezat noch van strategisch belang was, daardoor slechts een kleine kans om bij grootscheepse militaire acties betrokken te worden. Deze gedachtengang rechtvaardigde dan ook enigszins de bescheidenheid van opzet van de B.B. Al zal deze overweging niet alleen de reden tot bedenkelijke zuinigheid geweest zijn.
23 Augustus 1939 Hitler en Stalin sluiten een Non-agressie pact. Door dit monsterverbond, een verbond zo onwaarschijnlijk als een verbintenis tussen water en vuur geraakte Europa als het ware in een stroomversnelling. 29 Augustus 1939 mobiliseert Nederland. Op 30 augustus volgt Polen dat op 31 augustus door Duitsland werd aangevallen. 3 september verklaren Engeland, Frankrijk, Australië en Nieuw Zeeland Duitsland de oorlog. Nederland en België verklaarden zich neutraal doch gingen in versneld tempo orde op zaken stellen. Ook de E.H.B.O. ging over tot uitbreiding van materiaal. Zonder enig overleg met de daartoe bevoegde instanties kocht de E.H.B.O. verband materiaal bij, liet spaken bijmaken en gaf aan de smeden Gebr. Van Lamoen de opdracht de “Wintersbrancard” na te maken. Dit laatste gaf wel aanleiding tot enige strubbelingen, want toen de rekening à F 65,- de gemeente gepresenteerd werd was dat in het geheel niet naar de zin van de autoriteiten. De E.H.B.O. werd op het matje geroepen. Deze beriep zich op de noodzakelijkheid, stelde voor het persoonlijk te betalen maar dan wel dat bij eventuele ongevallen degene die kritiek hadden voor het vervoer van de gewonden zouden zorgen. Hiermede was het incident afgesloten.

Waar te blijven met de eventuele gewonden? Een moeilijke zaak. In overleg met het bestuur van Huize St. Vincentius werd daar een nood lazaret in gericht. De kelder onder de huiskapel werd daarvoor toegewezen, en “geschikt” gemaakt. Door de firma M. Verspeek en Zn. werden de ijzeren draagbalken van de betonnen vloer door balken gestut, om bij een eventuele instorting van de kapel de kelder, welke als schuilplaats moest dienen, ook voor de bewoners van Huize St. Vincentius zo goed mogelijk te beveiligen. Een gedeelte werd met triplex afgeschermd en hierin kwam het noodlazeret. Zes bedden waren er. Waar de dekens en kussens vandaan gekomen zijn weet de schrijver niet meer. Wel dat de benodigde lakens bij de gegoede Udenhouters ter “leen” gevraagd zijn. Dat zag er dan ook keurig uit. Sanitair, water en noodverlichting, vergeet ’t maar. Het was goed bedoeld maar de onervarenheid, en het gebrek aan alles bepaalde voor het overgrootste gedeelte de gang van zaken.
Door de mobilisatie waren verschillende gediplomeerde E.H.B.O.‘ers onder de wapenen geroepen. De overgeblevenen waren te weinig in getal, om bij een eventuele ramp van enige omvang effectief te kunnen optreden. Een snelle uitbreiding was daarom noodzakelijk. Daartoe werden enige geschikte jonge mannen aangezocht welke in een spoedcursus opgeleid werden tot brancardier. In deze avond werd onder leiding van gediplomeerde E.H.B.O.’ers geoefend in het optillen en vervoer van gefingeerde patiënten. In moeilijke omstandigheden en pikke duisternis werden de patiënten opgehaald. Dr. Lobach complimenteerde deze jongens met hun in korte tijd behaalde kennis en vaardigheid. Nu greep de leiding van de B.B. dienst in. Onder de brancardiers waren de meeste toekomstige dienstplichtigen. Zonder overleg met de E.H.B.O. werden deze afgevoerd en werden anderen niet dienstplichtige zonder meer aan de E.H.B.O. toegevoegd. Met dit ongemotiveerd stel was het moeilijk werken.

Ongeïnteresseerd als ze waren toonden ze geen begrip te hebben en verzuimden dan ook regelmatig. Ook kocht de B.B. nog twee brancards aan welke F 7,50 per stuk kostte. De E.H.B.O.’ers vonden het wel jammer dat de heren daar zelf niet mee op pad moesten. Toch hebben deze brancards later hun diensten nog bewezen.
De brandweer welke goed was uitgerust en onder leiding stond van de heer P. van Dam stond niet officieel onderleiding van de B.B. en is daarom tot heden buiten beschouwing gebleven.

HERINNERING (4)

Droeve herinneringen zou ik boven dit hoofdstuk willen zetten. Droevig, omdat zoveel jonge mensenlevens werden opgeofferd op het altaar van de hoogmoed, machtswellust en overheersingdrang. Droevig ook omdat zo onschatbaar verlies geleden is op het gebied van kunst, historie en onvervangbare persoonlijke herinneringen en bezit aan dierbaren.

10 mei 1940. Stralend was het weer aan de voorafgaande dagen en de stabiliteit daarvan beloofde mooie pinksterdagen.
10 me 1940 ’s Morgens om half vijf werd ik door mijn zus gewekt die angstig geworden was door het geronk van vele vliegtuigen al zo vroeg in de morgen en de niet nader te verklaren geluiden. Haastig trok ik enige kleding aan ging naar buiten, en passant de radio aanzettend om eventuele nieuwsberichten te kunnen horen. Buiten gekomen was ik nog juist getuigen van een luchtgevecht tussen twee dubbel-staartige Fokker vliegtuigen en twee Duitse vliegtuighen welke de strijd blijkbaar opgaven en terug vlogen. Ik besefte: “Het is oorlog!” Terug in de huiskamer hoorde ik de berichten welke mij deden ontstellen. “Hier radio Hilversum, Duitse tropen hebben de grenzen overschreden, bombarderen onze vliegvelden en voeren langdingen uit in de vesting Holland”. Het zou te veel ruimte vorderen om al deze berichten door te geven, laten we ons daarom bepalen tot de gebeurtenissen in Udenhout.

Oorlog, wat was dat. Wat moesten we doen, wat was er gedaan? Wat ging er gebeuren? Gelukkig wisten we er weinig van. Hier en daar werden er schuilkelders gemaakt en ruiten beplakt om de eventuele scherfwerking te beperken en verder was het maar afwachten. In de namiddag van 11 mei waren er enige Franse verkenners bij Quatre Brass. Zij werden mee naar Udenhout genomen voor een tolk, waarna zij weer terug gingen. Hun komst wekten bij ons de hoop op een spoedige Franse hulp welke echter niet kwam. Wie wel kwamen waren Nederlandse soldaten van de Lichte Divisie van het derde legerkorps. Voort gedreven door het 8ste Duitse legerkorps dat in getal en materiaalsterkte ons leger verre overtrof. Onder de zich op Vesting Holland terugtrekkende troepen bevond zich ook een gemotoriseerd korps. Een daarbij horende Udenhouter nam nog gauw de kans waar om zijn ouders even “gedag” te zeggen.

Deze gemotoriseerde kolonel logeerde die nacht onder het beschermend bladerdak van de eiken bomen op de Schoorstraat. ’s Morgens vroeg vertrokken zij richting Rotterdam. Zij hebben aan de gevechten om de zuidelijke randstad nog deelgenomen.
De volgende morgen kwamen de Duitsers. Geheel Udenhout zat onder de Duitsers als of er een sprinkhanenplaag was neergestreken. We kijken onze ogen uit naar hun manschappen en materiaal. Ontstellend! Ja, ’t was zo: liever kanonnen dan boter!

In mijn gedachte vergeleek ik dit leger met hetgeen wat wij te zien hadden gekregen bij de mobilisatie van het Nederlandse leger. Waarschijnlijk het gevolg van de leuze: voor de defensie geen man en geen cent.
Op de plaats waar nu de brandweerkazerne staat, stonden eens drie grote gebouwen plus een ambtswoning voor de bewaker. Het waren magazijnen van het leger. Op de dag van de mobilisatie van het Ned. Leger kwamen soldaten daar hun uitrustingstukken halen. Het waren o.m. karretjes waarop mitrailleurs en de daarbij behorende munitie vervoerd konden worden. Deze karretjes werden door honden getrokken. Op de speelplaats van de Fraterschool werd deze afdeling in carré opgesteld en door de commandant toegesproken. Zijn toespraak was menselijk. Duidelijk liet hij uitkomen dat zij soldaten waren nu in dienst van het vaderland, maar ook toonde hij begrip te hebben dat zij vaders, zonen en of verloofden waren. Op wier thuiskomst toch gewacht en gevreesd werd. Hij wenste hun een behouden thuiskomst, zonder verzaking van hun Vaderlands plicht.

HERINNERING (5)

Zoals was besproken kwamen de E.H.B.O. ers en Brancardiers op die eerste oorlogsdag in het lazaret bijeen. Beangstige gezichten en zorgvolle mannen en jongens bespraken de algemene toestand. De verwachtingen over de krijgsverrichtingen, de hulp van Engelse en Franse legers waren niet erg hoog gespannen te meer nog omdat van deze landen geen vliegtuigen in de lucht te zien waren. Er werd overeengekomen dat gedurende de oorlogsdagen een permanenten bewaking van tenminste twee personen aanwezig zou zijn. Bij eventuele ongelukken zouden de daarbij dichtbijwonende zich terstond naar de plaats van het onheil begeven. Ieder beschikte over een bescheiden hoeveelheid verbandmateriaal zodat direct met een eerste hulp begonnen kon worden, anderen zouden dan met het “groot” materiaal komen. Daar het werk vrijwel stil lag waren meestal vrijwel alle E.H.B.O ers aanwezig.

Gelukkig zijn er toen geen ongelukken gebeurd, slechts éénmaal werd een beroep gedaan op de E.H.B.O. en dat was dan nogwel ten gunste van de Duitse Weermacht. Het was op een der dagen dat het 8ste Duitse leger hier op doortocht, richting Rotterdam, was, dat wij bericht kregen dat een oorlogsgewonde opgehaald moest worden. Zij zou zich in het hoofdgebouw bij de hoofdingang bevinden. Wij er met drie E.H.B.O.ers er heen, en liepen uit bij de (vermoedelijk) generale staf. Er waren tenminste allerlei sterren, balken en strepen, plus grote Duitse en nog grotere petten te zien welke echter totaal geen enkele indruk op ons maakten. Zodra we daar aankwamen en een van hen ons in het oog kreeg, snauwde hij: “Was ist dasz?” Waarop een van ons in het Duits op z’n Udenhouts antwoordde: “Wit sollen einen kriegsverletzer abholen”. Nu zat daar een jonge maar dodelijk vermoeide soldaat op een stoel en zonder ons nog verder enige plichtplegingen te doen of iets af te wachten tilde we de jonge man op en legde hem op een brancard. Het gehele Duitse Férmament interesseerden ons niet, wij marcheerden af en brachten de jonge man naar ons lazaret. Hij ontdeed zich van zijn uitrusting en gekleed en wel ging hij naar bed, waar hij terstond in een diepe slaap viel. Vroeg in de ochtend van de volgende dag werd hij wakker nam haastig zijn spullen bijeen en ging op een draf zijn onderdeel achterna, alsof hij er op tijd bij wou zijn als het zijn beurt was om voor den Fhurer met ere te vallen. De lakens en slopen door deze jongeman gebruikt hadden meteen een wasbeurt verdient.
Voor zover schrijver dezes bekend is, zijn er in Udenhout geen burgers door leden van de Weermacht lastig gevallen. De soldaten gedroegen zich netjes en hadden van de burgers weinig nodig. Wel werden de auto’s gevorderd, deze werden groen geverfd en bij het gemotoriseerd materiaal gevoegd. Ook oliën en benzine werd druk getankt. Behalve dan bij Hanneske van Laarhoven, daar was de pomp stuk en leeg zei hannes en daar de Duitsers de benzine niet konden oppompen moesten ze Hanneskes leugens wel voor waarheid aannemen. Er bestand dan ook aanvankelijk tegenover de Duitsers geen rancune. Dikwijls knoopten zij een praatje met de burgers aan. Het was of er geen vijandschap bestond. Het gebeurde dat de Duitsers hun legerwagens tussen de huizen inzetten waar de mogelijk was om zo de straat vrij te houden voor de snellere aan- en afvoer van andere troepen. Bij schrijver dezes stond een radiowagen en ik werd uitgenodigd een kijkje in deze te nemen. Zij zaten ondermeer naar radio Hilversum te luisteren. De apparatuur van deze wagen overweldigde mij zo zeer dat ik bang werd en er dan ook zo gauw mogelijk uit zag te komen. Hoe gemakkelijk het er aan toeging wil ik met ’n paar gesprekken duidelijk maken.
Een Duitse soldaat sprak m’n 75 jarige vader aan en zei: (ik vertaal in het Nederlands) “Dat is hier geen oorlog, morgenavond staan we aan de kust en over een week zijn we in Engeland.” Waarop m’n vader antwoordde: “Jonge er is water tussen en dat is meer dan twee meter diep, bovendien is het zout, je kunt het niet drinken”. Ongeloofwaardig was het voor de Duitser.
Een van onze notabele vroeg aan ’n Duitser: “Waar kom je vandaan?” Antwoord: “Uit Duitsland”. Vraag: “Waar moet je naar toe?”. Antwoord: “Engeland”. Vraag: Vandaag nog?”

HERINNERING (6)

Het is moeilijk de gebeurtenissen en gevoelens van die oorlogsdagen mei 1940 weer te geven. Veel was zo onwezenlijk zo moeilijk te begrijpen en tegelijk zo beangstend dat alles zo verward in de geheugenis blijven hangen dat nu moeilijk is weer te geven. De wederkerige verstandhouding tegenover de hier gelegerde Duitse soldaten wekte bij ons burgers, in het algemeen genomen, geen wrevel op. Vele onder hen verafschuwde Hitler en zijn gehele partij evenzeer als wij. Ik herinner me nog een gesprek waarin een Duitser met minachting over onze krant sprak en verklaarde: allemaal leugens. Alles is propaganda en dient de partij. Weet je waarvan Goebbels (minister van volksvoorlichting en propaganda) vandaan gekomen is? Bij de geboorte werd het kind met het waswater weggegooid, de nageboorte hebben zij toen opgehouden en dat is Goebbels geworden! Over Hitler wist er een te vertellen dat hij in gelijke positie als Hitler stond. Hij was Korporaal, kwam niet hoger meer in rang en Hitler ook niet. Zo ontstond er als het ware enige binding tussen de Nederlandse en Duitse mens, die elkaar geen enkel kwaad gunde maar toch aan beide ontzaggelijk veel leed aandeden. De oorlog waarvan in wezen geen enkel besef hadden die als het ware buiten ons om ging, omdat hier in Udenhout geen enkel gevecht had plaats gehad, ging verder. We maakten dan ook al gauw kennis met de nieuwe machthebbers. Allereerst werd het gemeentebestuur opgedragen de wegbewijzering die verwijderd was onmiddellijk weer aan te brengen, op straffe van een zware geldboete. Een manifest bracht ons ter kennis: neem geen deel aan deze oorlog die U niet aangaat, (wie ging die nu dan wel aan? Vernielt niet uw eigen moei land. (laat dat maar aan ons over). Bewaar rust en orde. Burgers welke door de Duitse roepen op daden van sabotage, zoals het doorsteken van dijken, het opblazen van bruggen of het aanleggen van versperringen, betrapt werden, hebben de doodstraf te wachten.
Zo, daar konden we het voorlopig dan mee stellen. Er zouden nog vele verordeningen, bevelen en wetten gaan volgen. De oorlog ging verder. Berichten en geruchten brachten een verwarrend beeld van hetgeen dat in ons vaderland gebeurde. Peel en Raamstellingen waren doorbreken. Een panstertrein was over een niet vernielde brug de stelling ingereden. Ook de bruggen van de Randstad Holland waren intact gebleven en daardoor konden de Duitse troepen, zij het dan onder hevige gevechten, de vesting Randstad binnen dringen. De Moerdijkse brug zou door verraad genomen zijn. Duitsers als Hollandse gekleed waren de brug opgekomen en voordat de Nederlandse soldaten er erg in hadden dat zij met vijanden te doen hadden waren zij al neer geknald. Verraad? N.S.B.? De Duits gezinde N.S.B. werden in deze zwaar beschuldigd . N.S.B. en verraad waren synoniem geworden. De “grote leider Mussert was nergens te vinden. Zijn broer, een overste bij het Nederlandse leger, werd van verraad beschuldigd en door zijn eigen manschappen neergeschoten. Bij de Wonstelling verhinderde de onderwaterzetting de snelle opmars naar de afsluitdijk. Op Kornwerderzand mislukte een Duitse aanval. Het kostte hen 400 doden. De Grebbelinie gaf de Duitse opmars veel vertraging in hun krijgsplan dat er op gericht was Nederland in een paar dagen onder de voet te lopen. Op sommige plaatsen van de Waterlinie verliep de onderwaterzetting zo langzaam dat er van verraad gesproken werd. Waardoor sommige onderdelen in verwarring geraakten en op de vlucht gingen waarna een chaos ontstond. Ondanks hun successen kon de leiding der Wehrmacht deze vertragingen moeilijk verkroppen en besloot tot hardere maatregelen. Een verzoek tot overgave van Rotterdam werd aanvankelijk afgewezen. Op dit besluit werd terug gekomen en tot overgave besloten. Door een misverstand werd op dinsdag 11 mei Rotterdam gebombardeerd te 1.25 uur werd met het bombardement begonnen welke de gehele binnenstad verwoestte en in vuur en vlam zette, een brand die eerst na vier dagen bedwongen was.

HERINNERING (7)

In onze vorige aflevering beschreven we uitvoerig de oorlogstoestand zoals die in andere delen van ons land volgens geruchten en berichten door de radio’s tot ons kwamen. Waar wel op grote schaal vernielingen aangericht werden, waar wel vele jonge levens vernietigd werden, wel kostbare en onvervangbare monumenten en herinneringen verloren gingen, zonder dat wij daar hier geen leed of weet van hadden. De vernietiging van Rotterdam, de dreigende vernietiging van de andere grote steden zoals Utrecht, Den Haag en Amsterdam, de geringe afweermogelijkheden van eigen leger en nog geringere hulp van de ter hulp gevraagde mogendheden Engeland en Frankrijk deden de generale staf besluiten tot algehele capitulatie welke op woensdag 15 mei te 10/05 te Rijnoord door generaal Winkelman wordt ondertekend. Tot 18 mei werd met behulp van Franse soldaten de strijd in de provincie Zeeland voorgezet waarbij o.m. het beroemde stadhuis van Middelburg verloren ging. We waren de oorlog verloren, spoedig zouden we ervaren dat we meer dan dat verloren hadden. N.l. onze vrijheid van spreken en denken. Dit zou moeten worden ingepast in het Duitse! Ras, bloed en bodem ideologie en wel hen welke een andere mening verkondigde.
Op de eerst dag dat onze dagbladen weer verschenen vermelden zij met grote koppen op de voor pagina; Rotterdam vernietigd, 30.000 doden. Dit was de bezetter blijkbaar niet naar de zin want reeds de volgende dag verscheen een evengrote correctie met de vermelding dat het er maar 300 waren. Later is gebleken dat het werkelijkheid 986 was. Op 19 juni hield Hitler zijn grote en naar zijn gewoonte bombastische reden waarin hij de strijd van zijn troepen verheerlijkte hun overwinningen memoreerde Polen, Denemarken, Noorwegen. Wij hebben in 5 dagen Nederland verpletterd, noemde vervolgens de overwinningen in België, Frankrijk en de vlucht van de Engelse troepen bij Duinkerken en bood vervolgens grootmoedig Engeland de vrede aan, die dit aanbod van de hand wees. De gehele rede werd in onze couranten weergegeven maar de zin; wij hebben Nederland verpletterd, “ kwam er niet in voor. Dit strookte niet met de plannen van de nieuwe machthebbers. Deze wilden van de Nederlanders, ook Germanen van oorsprong, tot bondgenoten maken. We wisten nu meteen dat onze zo gevierde vrije pers de muilkorf was opgezet en van weinig betekenis meer voor ons was. Ook de radio werd ondergeschikt gemaakt aan de Duitse propaganda. Zodra de oorlog voorbij was werd de Nederlandse tijd aan de Duitse tijd aangepast d.w.z. de klok werd een uur en vijf en veertig minuten stil gezet. De radio spreker kondigde dit aan op een manier alsof het de Duitsers gelukt was de zon een uur en vijf en veertig minuten langer te doen schijnen. Hij voegde er aan toe dat dit nu het eerst grote voordeel was van de Duits-Nederlandse economische samenwerking.
Enige stimulans in de economie kon Nederland best gebruiken, al was het op deze manier minder gewenst. In het begin van de jaren twintig leefde onze economie weer op nadat zij de gevolgen van de mobilisatie 1914-1918 en de daarop volgde demobilisatie en revolutionaire staatsgreep was te boven gekomen. Daarna liep het economische leven weer terug en waren in de zomer 1929 reeds +/- 18000 werklozen. De beurskracht in New York op 24 oktober was het begin van een wereld crises en werd in de maanden augustus- september 1930 merkbaar. In de zomer 1933 waren er reeds 275000 werklozen het welk getal opliep tot 630.000 op 31 december 1935. De leuze “ aanpassen” manifesteerde zich overal. De uitkeringen aan de werklozen waren minimaal. Vele moesten zich met f2.50 tevreden stellen en het waren uitzonderings gevallen wanneer men f10,- tot f12,50 per gezin ontving. De lonen voor hen die werkten waren al niet veel beter. Een gewone hulp in de huishouding kon zich gelukkig prijzen met een dagloon van f0,75 cent waarvoor dan ook ’n uur of tien gewerkt moest worden.
De prijzen van de dagelijkst levensbehoeften waren naar vanant ’n ei koste 2 a 2,5 cent. ’n Pond spek werd voor 10 cent verkocht. De boer ontving voor 1 liter melk 6 cent, zijn biggen brachten op de markt f1,- tot f1,50 op. Rijst per pond 12 cent. Een kostuum naar maat f35,- was van goede kwaliteit. Een confectie jekker f17,50 dito gabardine regenjas f 17,50. En toch op vele plaatsen werd er bitter armoede geleden. Er was geen geld, geen handel en geen werk.

HERINNERING (8)

Met de capitulatie geleek het dat de oorlog voor ons als ’t ware was afgelopen. We waren er ons niet van bewust dat die toen pas voor goed begon. Het vernielen van ons mooie land zou waar, nodig voor onze vijand, gewoon doorgaan. Evenals het doden van al diegene welke weigerden met de Duitsers in de pas te lopen. Gewetensvrijheid was niet meer toegestaan. Gelijk schakelen was nu de slagzin geworden. Het was juist dat wat de verslagen Nederlanders niet wenste. Zij trokken zich a.h.w. terug in hun schelp om t.z.t. weer te kunnen toeslaan. Humor dikwijls, bittere humor hield ons volk mede overeind. Veel zou er geaccepteerd en verdragen moeten worden. Daardoor groeide diep in ons hart een verachting voor de Nazi’s die naar mate deze scherper ingreep op ons volksbestel, op onze vrijheid van geweten, steeds erger werd en zich en zich dan ook ging uitte in een langzaam maar steeds groeiend verzet.

Zodra de Duitsers de macht hier hadden overgenomen was de tijd van overvloed enerzijds, werkloosheid met bittere armoede voorbij. Voorbij het doordraaien van groenten welke op de veiling in overvloed werden aangevoerd, waar b.v.. 1000 kg snijbonen één cent per kilo opbrachten en daarom maar naar de vuilnisbelt verwezen werden. Sigaretten 10 voor 12,5 cent, ’n goede sigaar 6 cent, tabak 50 gr. 13 cent. Zo zouden wij nog een lange lijst kunnen aanvullen. Wat ook spoedig voorbij was: de uitkeringen aan de werklozen. Was in 1935 het werkloosheidcijfer tot 630.000 opgelopen, door de oorlogsdreiging kwamen de oorlogsindustrieën en de toeleveringsbedrijven weer op gang en verschaften aan vele weer werk. De mobilisatie in 1938 en in 1939 namen ook veel werklozen op. Hoe die cijfers waren is ons onbekend.
Wel is bekend dat al spoedig de uitkeringen voor de werklozen aan beperkende maatregelen onderworpen werden en voor sommige geheel werd stopgezet. Er was immers in Duitsland werk genoeg. Op 2 juni 1940 werd een nieuwe regeling: Kostwinners vergoedingen aan gezinnen van militairen van kracht. Wij revaleren: Het departement van Defensie heeft aan de burgemeesters nadere voorschriften doen toekomen ter zake de uitbetaling van kostwinners – vergoedingen aan gezinnen van militairen. Hierin wordt mede gedeeld dat de kostwinnersvergoeding zoals die op 10 mei werd genoten door verwanten van militairen die op of na die datum zijn overlijden, hetzij door uitvoering van hun dienstplicht, hetzij door andere oorzaak, voorlopig zes weken na de dag van het overlijden moet worden doorbetaald.
Deze vergoeding komt niet in mindering van het pensioen indien de nabestaanden van de overledenen daarop aanspraak kunnen maken.
Ten aanzien van het omtrent wier lot nog geen zekerheid bestaat, bepalen de burgemeesters dat door moet worden gegaan met het uitbetalen van de kostwinnersvergoeding gedurende uiterlijk 6 weken te rekenen vanaf 18 mei j.l. Zodra het lot dier betrokkenen bekend is hangt het van het oordeel van de burgemeester af of er nog doorgegaan moet worden met de uitbetaling der kostwinnersvergoeding.
Wanneer een militair niet in staat is om te werken omdat hij gewond is dan moet de kostwinnersvergoeding worden doorbetaald zolang hij niet is hersteld.
Ten aanzien van hen die zijn gedemobiliseerd of die zelf al uit eigen initiatief naar hun haardsteden terugkeerden wordt de kostwinnersvergoeding uitbetaald tot en met de week waarin zij hun haardsteden hebben bereikt. Is het echter nodig dat zij nog de nodige stappen doen om werkt te krijgen dan kan voor deze categorie alsnog de kostwinnersvergoeding worden uitbetaald tot uiterlijk 8 juni.
Dit staat ter beoordeling van de burgemeester.
Wanneer iemand tot de ontdekking komt, dat zijn betrekking is ingenomen door een ander, wordt de kostwinnersvergoeding uitbetaald tot 8 juni.
Zij, die gedemobiliseerd zijn, of op eigen initiatief naar hun haarstede zijn teruggekeerd en geen loongevende arbeid hebben, zodat zij genoodzaakt zijn naar de steun te gaan en niet aannemelijk kunnen maken dat zij voor 8 juni a.s. loongevend werk hebben gevonden, moeten door de burgemeester in werkelijke dienst worden terug geroepen en zullen naar hun eigen depots worden gedirigeerd.
Voor zover de betrokkenen recht hebben op het kostwinnersvergoeding wordt aan de families weer de kostwinnersvergoeding betaald op het moment dat zij weer in dienst terugkeerden. Is het dringend nodig, dat iemand langer dan zes weken de kostwinnersvergoeding wordt betaald, dan kan de burgemeester bij het departement van Defensie de zaak voorleggen.
Het is duidelijk dat door bovenstaande maatregel de bezetter trachtte een greep op de reserve arbeidskrachten in ons land te krijgen en deze aan te wenden voor zijn eigen oorlogsindustrie.

HERINNERING (9)

De veelheid der gebeurtenissen, welke ogenschijnlijk geen enkel verband met elkaar hadden maar toch zo nou met elkaar verweven waren maken het moeilijk de herinneringen in chronologische volgorde af te handelen. Het is om ter verduidelijking van het gebeuren, het hoe en waarom eens terug te grijpen op de reeds aan de orde geweest zijn jaren.
Het is begrijpelijk dat het reeds onder Duitse invloed staan de Departement van Defensie met zijn nieuwe regeling “Kostwinnersvergoeding” met de daarin voorkomende bepaling het terugroepen van: uit eigen initiatief naar hun haardsteden terug gekeerden militairen niet als deserteurs beschouwd of behandeld zouden worden. Evenmin lag het in de bedoeling het in actieve dienst terugroepen van werkloze militairen deze aangename verpozing te bezorgen en hun voor verveling te behoeden. Het was duidelijk dat hier een poging gedaan werd om een zo stevig mogelijke greep op het Nederlandse arbeids reserve te krijgen.
Ook willen wij eens ingaan op de zin: Zij die op eigen initiatief naar hun haardsteden terugkeerden. In de 3-4 G.B. Peeldivisie waren ook verschillende Udenhoutse jongens gelegerd. En van hen was sergeant en lag met zijn groep in een vooruit geschoven stelling met de opdracht de opmars van de vijand zo veel mogelijk te vertragen. Uit zijn nadien gebleken mededelingen is gebleken dat de verbindingen met de andere legergroepen al spoedig verstoord waren. Geruchten, berichten en bevelen kwamen dikwijls tegenstrijdig over zodat vele groepscommandanten niet meer wisten wat waar of niet waar was. De woorden N.S.B. en verraad deden de ronde en deprimeerden zo wel de officieren als de manschappen. De nu vermelde groep lag in afwachting op de komst van de Duitsers. Er waren geen uitgewerkte plannen voor een eventuele terugtocht evenmin voor aanvoer van herbevoorrading van voedsel of munitie. Op een gegeven moment kwam een Nederlandse kapitein op inspectie en vertelde hun dat zij nog vrijwel de enige geheel intacte groep in deze stelling was. Hij zag geen nut meer in een blijven en beval de groep zich op Eindhoven terug te trekken en te proberen zich met de hoofdmacht aan te sluiten. Op weg naar Eindhoven werden zij ingehaald door een afdeling P.A.G.(panster-afweer-geschut). Gezamenlijk gingen zij verder. Van een terugkerende ordonnans kregen zij bericht dat er drie Duitse pantserwagens op komst waren. De commandant beval de kanonnen in stelling te brengen. Maar de paarden die voor dit doel waren afgericht waren even zenuwachtig als de manschappen die hun moesten commanderen. Deze trokken nu samen de kanonnen in stelling daarbij het kreupelhout langs de weg gebruikend voor camouflage. Zodra de pantservoertuigen binnen schotsafstand genaderd waren werd heet eerste salvo afgegeven. Dit was een voltreffer en het eerste voertuig vloog in brand. Het tweede kwam al vurende achter het eerste uit, maar voordat de Nederlandse schutters ontdekt waren ondergingen zij hetzelfde lot.
De derde wagen nam geen risico en trok zich snel terug. Toen ven nadien een Duitse kapitein op deze groep stuitte, hij had in deze omgeving blijkbaar geen Nederlandse soldaten meer verwacht, werd hij aangehouden en gevangen genomen. De Duitser werd woest en snauwde, waarop een der Nederlanders antwoordde: “Gij waarschijnlijk ook niet”. Zij ontwapende hem en wilde weer verder trekken. De Duitser riep nog “mijne machine”. “Dat is waar ook”, antwoordde een Nederlander, hij nam zijn geweer en joeg ’n paar kogels door de benzinetank, waarop deze in brand vloog.
Daar de groep geen kans meer zag om zich met een ander onderdeel te verenigen viel ze uiteen. Sommige doken onder, anderen vroegen en kregen bij de bewoners van deze streken burgerkleding en gingen op eigen initiatief huiswaarts. En van hen kwam in Boxtel bij zijn familie terecht en verbleef daar zo lang tot dat de tijd rustiger geworden was en hij veilig naar Udenhout kon terugkeren.
Einde mei was van een Udenhoutse jongen, welke in Zuid-Limburg gelegerd was nog niets vernomen. Zijn ouders waren dodelijk ongerust over hem. Daar ondergetekende goed in Zuid-Limburg bekend was, werd op verzoek van de ouders met een broer van de vermiste op onderzoek uitgegaan. Op een vroege morgen werd de reis per fiets aanvaard. We wisten het adres waar hij de laatste ingekwartierd gelegen had. Op vele plaatsen waren sporen van de oorlog te zien. Vernielde bruggen, uitgebrande woningen, kapot geschoten bunkers. Neen de Duitsers hadden het hier ook allemaal niet voor niets gekregen. Ook passeerden wij de hierboven vermelde uitgebrande tanks. In m’n geest zie ik nog hoe een Duits soldaat verkoolde beenderen uit de tank haalde. Maar we hadden haast en zetten onze reis dan ook snel voort. Het adres waar hij het laatst gelegerd was hadden we spoedig gevonden. Daar vernamen wij dat hij ’n paar dagen voor de tiende mei naar zijn stelling gedirigeerd was. Wij zochten die plaats op er waren geen sporen van gevechten te zien. Op onze informatie vernamen wij dat deze groep soldaten in de rug waren aangevallen waardoor ze geen kans gehad hadden tot enig verweer. Er waren dan ook geen doden of gewonden maar alle waren als krijgsgevangen afgevoerd. Het was inmiddels al avond geworden en we besloten maar in Limburg te overnachten. De andere dag weer vroeg op weg naar Udenhout. Het was in ieder geval een geruststellend bericht dat we bij ons hadden. De bedoelde jongeman is in juni behouden en wel in Udenhout teruggekeerd.

HERINNERING (10)

Vraag en aanbod, bepaald de waarde. Dat was en is nog steeds geldende keiharde waarheid in de economie. Dat gold in de dertiger jaren en begin veertiger jaren ook op de arbeidsmarkt. De overvloed van aanbod van werkzoekende deden de lonen tot een minimum dalen. Voor hen die een “vaste” betrekking hadden in de rijksdiensten of dergelijke was het tegenover de “losse” arbeiders een gouden tijd. De keiharde gulden had grote waarde waardoor deze in een bevoorrechte positie geplaatst waren. Zij konden de meestal zeer goedkope goederen of diensten tegen minimale prijzen verkrijgen. Voor de “modale” werknemer was een weekloon van +/- F 20,== een goed loon. Voor de losse arbeiders gold een uurloon van 25 tot 40 cent een goed loon. Voor de uit dienst terugkerende militaire was het dan ook een rot tijd, waarvan de Duitsers een zo hoog mogelijk profijt trachtten te trekken.
Op 29 mei 1940 werd Seijs Inquart als Rijkscommissaris voor het bezette gebied geïnstalleerd. Deze man kreeg alle macht in handen en kon met zijn medewerkers beslissen over leven en dood. Seijs Inquart hinkte, door ’n mankement aan zijn linkerbeen. De Hagenaars wisten echter al gauw te vertellen dat het hinken kwam omdat hij een hakenkruis in zijn broek had, wat hem het lopen bemoeilijkte. Het verhaal ging dat de beroemde conferencier Busiau in een show in Utrecht op het toneel verscheen met een voor hem veel te grote pet, waarop met grote cijfers stond 61/4. Het publiek schoot meteen in de lach, daar zij meteen de klank verbinding als: “zes en ’n kwart” door had. Busiau keek verbijsterd, wees op zijn pet en zei op zijn pet wijzende: Dat is mijn maat niet”. Een levendig applaus was daarop het begrijpende antwoord.
Door de capitulatie was in feite het gehele Nederlandse leger in krijgsgevangenschap der Duitsers gekomen. Deze zouden geen volkenrechtelijke misdaad begaan hebben indien zij de gehele legermacht in krijgsgevangenschap naar Duitsland zouden hebben afgevoerd. Deze maatregel strookte echter niet met de plannen van Hitler. ‘Zijn uiteindelijk doel: het stichten van een duizendjarig Germaansrijk, waarin ook het Nederlandse volk, voor zover deze tot de Germaanse stam behoorden, alsmede de Vlamingen zouden worden opgenomen met het Duitse volk in een bevoorrechte en leidinggevende positie in gedrang komen. Het krijgsgevangenschap zouden de Nederlanders immers als een vernedering ervaren hebben en zich dan weinig enthousiast tonen om aan dat duizendjarig rijk hun medewerking te verlenen. Het Duitse bestuur koos voor een zachtere lijn. Was het Nederlandse leger uit zich zelf al gedeeltelijk gedemobiliseerd. Op maandag 3 juni 1940 werd een verdere demobilisatie aangekondigd. Ook hier werden beperkende regels gesteld. Wij weergeven de tekst.

Demobilisatie: slechts voor hen die werk hebben.

Bij de volgende etappe van demobilisatie mag alleen dan een militair met groot verlof worden gezonden indien hij aan den commandant van het betrokken enkelvoudig oorlogsonderdeel een verklaring van werkgevers, familie e.a. kan overleggen, waaruit blijkt, dat hij door loongevende arbeid dan wel andere wijze in eigen onderhoud kan voorzien, althans niet ten laste van de gemeenschap zal komen.

Bedoelde verklaring moet zijn gelegaliseerd:

a. door den betrokken burgemeester,
b. b. voor hen, die in overheidsdienst zijn, door het betrokken diensthoofd ter plaatse.

Aangezien een volgende etappe van demobilisatie binnenkort is te verwachten, wordt aan alle militairen, die voor groot verlof in aanmerking wensen te komen, in overweging gegeven voor de verkrijging van bovenbedoelde verklaring, reeds thans het nodige te verrichten.
De militairen worden er bovendien met nadruk op gewezen, dat gedemobiliseerde geen aanspraak kunnen doen gelden op steunverlening wegens werkloosheid.

Ook werklozen zeemiliciens moeten zich melden.

In aansluiting aan de publicatie namens de Opperbevelhebber van Land en Zeemacht o.a. inhoudende, dat zij, die zijn gedemobiliseerd of op eigen initiatief naar hunne haard zijn teruggekeerd en die geen loongevende arbeid hebben, zodat zij gedwongen zijn zich om steun aan te melden en die niet aannemelijk kunnen maken, dat zij voor 8 juni lonende arbeid kunnen verkrijgen, door den burgemeester in werkelijken dienst moeten worden geroepen en onverwijld moeten worden gedirigeerd op de depots, wordt medegedeeld, dat deze regeling eveneens geldt voor de zeemiliciens. In verband hiermede wordt de stat, waarop de depots zijn vermeld, met het volgende aangevuld: Allen, behorende tot de zeemilitie moeten zich melden bij: Het Marinedepot te Rotterdam, Museumplein 1, voorzover zij met groot verlof van het depot of van het depot Oudenhoorn vertrokken: Het Marinedepot Den Haag, Koningsstraat 3, voorzover zij met groot verlof vertrokken van dat depot.
Het Marinedepot Amsterdam, Marine-karzerne, voor zover zijn met groot verlof vertrokken van dat depot, vanuit IJmuiden of vanuit Den Helder.
Militairen der Zeemacht voor zover zij met groot verlof vertrokken van de depots Vaartuigen Rotterdam of Amsterdam, keren in het bovenbedoelde geval op die depots terug.”

Zo was alles met de oerdegelijkheid omschreven, en geen militair kon zich aan bovenvermelde verplichting
onttrekken, ten zij….

HERINNERING (11)

Wij willen nog eenmaal terugkomen op de demobilisatie van het Nederlandse Leger. En wel om de volgende redenen: Het is om de lezer duidelijk te maken van welke grote betekenis deze demobilisatie, welke tevens het terugsturen en in vrijheid stellen van de krijgsgevangen, had. Het was meer dan duidelijk dat de Duitse regering hiermede een uiterste poging deed om Nederland in zijn geheel als bondgenoot te krijgen. Dat deze uiterste poging in zijn geheel mislukte, op enige NSB’ers en enkele andere idealisten na, was de politiek van vrijheidsbeperking en gewetensdwang welke door de Duitse Nasi werd toegepast voor het grootse gedeelte de schuld daarvan. Wij laten de tekst in zijn geheel volgen:
“Met open vizier en eerlijk gestreden”.

De demobilisatie in Nederland.

Hoofdkwartier van den Fhuerrer, 1 juni (D. NB. )

Aan een voor de Opperbevelhebber van de Duitse troepen in Nederland bestemde verordening wordt ’t volgende ontleend: Het Duitse aanbod Nederland in bescherming te nemen tegen het bewezen voornemen de westelijke mogendheden, Nederland tot opmars basis tegen het Roergebied te maken, is bij de Nederlandse regering in verband met haar geheime verstandhouding met de westelijke mogendheden op een wel bewuste weigering gestuit. Zij leverde daarmede volk en land over aan de verschrikking van een oorlog, bracht echter zichzelf buitenlands in veiligheid. De Duitse Weermacht heeft in de hierdoor noodzakelijk geworden strijd met het Nederlandse leger al het mogelijke gedaan om de bevolking en het land te sparen. Dit standpunt van Duitse zijde kwam in hoge mate tegemoet aan de houding zoowel van den Nederlandse militair alsook van de Nederlandse burgerbevolking. Het was in overeenstemming met den culturelen en morelen stand van het Duitse stamverwante Nederlandse volk. De verantwoordelijke enkelingen die Duitse valschermjagers in gevangenissen geworpen, als misdadigers behandeld en daarop aan de Engelsen uitgeleverd hebben, zullen ter verantwoording worden geroepen.
De Nederlandse soldaat heeft echter overal met open vizier en eerlijk gestreden en onze gewonden en gevangen dien overeenkomstig goed behandeld. De burger bevolking heeft niet aan den strijd deelgenomen en zich tegenover onze gewonden eveneens naar de wetten der menselijkheid gedragen. Ik heb derhalve ook voor Nederland besloten, toestemming tot vrijlating der gevangen Nederlandse soldaten te verlenen. Het eerst komen in aanmerking leden van de Nederlandse Weermacht, die in de landbouw, in de mijnen, in de voedings-industrie, in het bouwbedrijf en in de mede aanverwante bedrijven werkzaam zijn. De overige leden van het Nederlandse leger zullen geleidelijk gedemobiliseerd worden teneinde het bedrijfsleven niet te overbelasten en daardoor werkloosheid te veroorzaken. Dezelfde bepalingen zijn van toepassing op de Nederlandse soldaten, die zich in Duitsland in krijgsgevangenschap bevinden. Over de Nederlandse beroepssoldaten zal ik nog nader beslissen.

In het licht van de historie en tevens in de wetenschap die in het jaar 1940 betreffende de neutraliteit van Nederland voldoende en in hoge mate bekend was, zit het hierboven staande stuk vol met leugens en tegenstrijdigheden.
Het Nederlandse volk diende er mee te leren leven. Open vizier en eerlijk gestreden, moge wel van toepassing geweest zijn op de Nederlandse soldaat, in ieder geval niet op de Duitse legerleiding, want schrijver was zelf getuigen hoe een lange colonne Duitse vrachtwagens alle voorzien met grote Rode-Kruis-tekens, bemand werden met gewapende Duitse soldaten. De colonne reed op de weg ’s-Bosch-Tilburg. Het was omstreeks juni 1940.
De Nederlanders troostten zich met de volgende gedachte: Duitsland beschermt ons, de Paus bidt voor ons en Engeland vecht voor ons. Wat kan er nu ons nog gebeuren.

HERINNERING (12)

In juni 1940 kwam de demobilisatie en de terugkeer van de krijgsgevangen voor goed op gang. Het een en ander verliep volgens een voorop gesteld schema, aldus niet allemaal tegelijk. Voor zover mij bekend is, zijn door de genomen bepalingen geen Udenhoutse mannen of jongens meteen naar Duitsland gestuurd of vrijwillig gegaan. Dit is wel gebeurd bij later gedane vorderingen. Het hier leegstaand mobilisatie centrum, drie grote en stevige gebouwen, plus een dienstwoning. Dit centrum werd door de Duitsers al spoedig in gebruik genomen en diende als bevoorrading van de op het vliegveld van Gilze-Rijen gestationeerde vliegtuigen. In deze gebouwen waren onderdelen ter vervanging van versleten of beschadigde vliegtuig-onderdelen, in grote mate opgeslagen.
Bommen of munitie zijn voor zover schrijver bekend nooit opgeslagen geweest.
Verschillende Udenhoutse jongens en mannen hebben in dit centrum gewerkt onder leiding en toezicht van Duitse soldaten. Deze waren hierdoor in ieder geval gevrijwaard voor uitzending naar Duitsland. Ook vrouwen hebben voor de Duitsers gewerkt, voornamelijk in de keuken en het schoonhouden van kantoren. Wat voor sommige vrouwen een geëigende bezigheid tegenover vreemden is, is niet bekend en hoogst onwaarschijnlijk. In ons dorp van toen 1940, waarin ieder iedereen kenden en ook iedereen van ieder alles wist, is daaromtrent niets bekend. De werkzaamheden des heren, was niet zo zwaar dat er veel zweetdruppels gevallen zijn. Sommigen wedijverden zich wie wel het beste en de meeste lijn kon trekken. Er valt hier geen enkel verwijt van “hulp aan de vijand” te maken. Daar was dit soort van werken te simpel en te eenvoudig voor.
Dat de Duitse leuze “Liever kanonnen dan boter”, in Duitsland effectief gewerkt had kregen we hier al gauw in de gaten. De Duitse soldaten konden n.l. van alles gebruiken. De winkel bedrijven beleefde ene gouden tijd. Geld hadden die heren genoeg. De persen draaiden volop er kwam meer geld in omloop dan ooit tevoren.
Vele winkeliers profiteerden hiervan en ik herinner me nog hoe een Duits soldaat die bij ons was ingekwartierd, aan mijn zus de door hem gekochte textiel liet zien en er zo tussen door opmerkte: “Ik geloof niet dat die meisjes daar goed wijs zijn”, m’n zus gaf nu niet direct een antwoord daarop en vroeg naar de prijs die hij voor deze textiel betaald had. Zijn antwoord hierop ontlokte bij haar de opmerking: “Ze zijn daar zo zot nog niet!”
Dat deze uitverkoop spoedig tot een schaarste zou leiden was duidelijk en het was dan ook zo dat in sommige winkels alleen maar ledige winkelbanken te zien waren. Het is heel zeker dat de Nederlandse regering de oorlog althans minister in Europees verband heeft zien aankomen. Mogelijk heeft ze geloof gehecht aan Hitlers woord de Nederlandse neutraliteit te zullen eerbiedigen, maar ook in dit laatste geval zou de aanvoer van overzee, gezien de ervaring van de oorlog 1914 – 1918, bemoeilijkt zo niet in zijn geheel onmogelijk gemaakt worden.
Het waren in de troonrede, Prinsjesdag september 1918, in haar beschouwing over de algemene voorraad der levensmiddelen de samen vattende zinnen: “De oogst is zo goed als ingehaald en naar onze berekening is bij de huidige levensmiddelenvoorziening een voldoende voorraad tot maart 19191. Is de aanvoer van overzee dan nog onmogelijk, Zo helpen ons dan de Almachtige God”
Dat Nederland in een nog veel ergere toestand zou komen te verkeren en in het Noorden van ons land velde de hongerdood zouden sterven, daarvan waren wij ons toen in 1939 niet bewust.
Zeker is het dat de Nederlandse Regering grote, niet bederfelijke voorraden heeft aangelegd. Een hier in Udenhout leeg staand gebouw werd van de N.C.B. afgehuurd en als opslagplaats voor granen gebruikt. Dat de Duitsers van deze voorraden geprofiteerd hebben is zeer duidelijk. Goering wist ons in een toespraak te vertellen: “Wat men in de bezetten gebieden op de bonnen krijgt, is maar een extraatje en men voorziet zich door in hoofdzaak via de sluikhandel. Bij voeding komt op de eerste plaats en bovenal het Duitse volk… Als er gehongerd moet worden dan in geen geval in Duitsland”.
In maar 1937 werd een rijksbureau ter voorbereiding van voedsel-voorziening in oorlogstijd opgericht. Prijsopdrijving en hamsterwet volgde in 1939. In juli 1939 afkondiging van de Distributiewet en werd de bevolking van bonkaarten voorzien. Op 16 oktober 1939 werd met de distributie van levensmiddelen een aanvang gemaakt. Het was of er proefgedraaid moest worden. Verkoop van suiker zonder bon was vanaf die dag verboden. De particulieren konden tegen inwisselen van bon no. 1 een hele kilo suiker kopen en moesten het daar drie weken mee stellen. De winkeliers moesten deze bonnen op “vellen” plakken waardoor zij van het distributiekantoor toewijzingen kregen, waarop herbevoorraad kon worden. Er was dus geen kans tot smokkelhandel indien alles eerlijk en correct verliep. Maar ja, dat eerlijk en correct! Dat hij die zonder zonde… Vele Nederlandse brouwen, niet gewend zich veel beperkingen op te leggen konden met die kilo suiker in drie weken er niet uit mee en sommigen namen alvast een voorschot op bon no. 2. Het lag toch voor de hand met no. 1 was er begonnen dus was nu nummer 2 aan de beurt. Dat pakte echter anders uit, bon no 2 werd ongeldig verklaard en de volgende toewijzing had plaats op bon no.3. We willen besluiten met een anekdote uit die tijd:
Er zijn drie Engelse spionnen door de Duitsers opgepakt. Ze spraken vlot Duits en hadden Duitse militaire uniformen aan. Hoe warden ze dan herkenbaar?
Wel ze hadden geen pakjes bij zich om naar huis te sturen!

HERINNERING (13)

… Wat kan er nu nog gebeuren? ’t Was de slotzin van deel elf van onze herinneringen. Er stond nog heel veel te gebeuren. Het had er wel de schijn van dat het Nederlanders waren die over ons land regeerden, maar in werkelijkheid waren het de Duitse machthebbers die aan de touwtjes trokken.
Op 16 oktober 1939 werd de distributie van levensmiddelen ingezet en suiker was vanaf die datum alleen nog slechts tegen inlevering van een bepaalde bon verkrijgbaar was deze inzet als een symbolisch zoethoudertje bedoeld? Op elf november volgde de peulvruchten. In December wordt een nota over de economische verdediging van de Nederlandsenvolkshuishouding aan de Staten Generaal aangeboden. Door de overvloed van voorraden in winkels en magazijnen waren de meeste Nederlanders zich er niet van bewust in welke situatie zij bij een eventuele oorlog met Duitsland, of bij een langdurige oorlog buiten onze grenzen, zij terecht zouden komen. De prijsopdrijvings- en Hamersterwet welke in 1939 tot stand kwam maakte weinig indruk en meestal werd deze niet serieus genomen. Trouwens zij die deze wetten aan hun laars gelapt hebben en later niet voor smokkelen of woeker gegrepen zijn, zijn het beste afgeweest. Op 6 juni 1940, ongeveer een maand nadat de Duitsers ons land bezet hadden werd overgegaan tot rantsoenering van levensmiddelen. Koffie en thee waren nu het eerst aan de beurt. We willen de lezer niet vermoeien om alle data waarop de distributie van de bepaalde levensmiddelen tot stand kwam te vermelden. Wel willen we deze in volgorde waarop deze plaats vond weergeven.Het ging snel en binnen enkele maanden was er buiten de distributie om alleen tegen grof geld nog wat verkrijgbaar.
17 juni 1940 werden brood en bloem gerantsoeneerd. Vervolgens rijst, vermicelli, maïzena, boter, margarine, vet en spijsolie. Schoeisel, vlees en vleeswaren, kaas, gort en grutterswaren. Eieren, koek en gebak. Gas en elektra. Februari 1941 koffiesurrogaat, melk aardappelen, jam, cacao, sinasappelen, suikerwerk en chocolade. In juli 1942 werden de boter, vet en kaas- randsoenen verlaagd. Taptemelk komt op de bon, evenals appels, 18 Maart 1943 wordt het vleesrantsoen tot 125 gram per week teruggebracht. Vervangingsmiddelen worden gedistribueerd, alsmede groenten en fruit. Na 14 november 1943 zijn vrijwel alle textielproducten nog slechts met speciale vergunningen verkrijgbaar. Zo te zien was er alles nogal verkrijgbaar. Het is echter wel zo dat dit alles slechts met mondjesmaat werd toebedeeld en de broekriem steeds strakker moest worden aangehaald. In de “Deutsche Zeirung in de Nederlanden”, verschijnt op 20 maart 1941 een artikel over de noodzaak dat Nederland zich zelf moet voeden. Daar hadden die Nederlanders dan ook wel oren naar. En onder de slogan “Nederland voed zich zelf,” werd dan ook door ieder die kon, waar maar mogelijk, de Duitsers ontrokken.
De distributiebonnen gaven gelegenheid tot ruilen en verkoop. Cacao, suikerwerken en chocolade waren in veel en vooral in de grote gezinnen, destijds een weelde en konden nu dus heel zeker, best gemist worden. Deze bonnen, en vooral ook die waarop rookartikelen verkrijgbaar waren, vormden dan ook een welkome neveninkomen of deden dienst als ruilobject. Met groenten en aardappelen was hetzelfde gesteld. Wel werd rekening gehouden met eigen teelt, maar daar was altijd toch wel iets mee te schikken, daar de controle vrijwel geheel in handen van de Nederlanders was, welke ook honger hadden. Met de vleeswaren werd het steeds moeilijker. Alle geboorten van vee moest met getal en datum worden aangegeven. Alsmede de verkoop en de slacht. Nu gebeurde het natuurlijk weleens dat een varkenshouder bij een grote worp biggen ze niet allemaal tellen kon en dat er eentje bij inschoot. Deze werd dan zorgvuldig apart gezet en extra gekoesterd. 10% Van het vee moest worden afgeslacht en een gedeelte waarvan aan Duitsland worden geleverd. De varkensstapel moest tot de helft worden teruggebracht, 2/3 van het pluimvee moest worden geslacht en naar Duitsland verzonden worden. Door de beperkingen van het vee kwamen er weilanden te veel en daar de granen tot het meest noodzakelijke voedsel behoorden werd voor het scheuren van grasland om het tot akkerbouw om te vormen premie uitgeloofd.
Op 18 juni 1940 worden er reeds besprekingen met de Duitsers Schobeek en de S.S. Hauptsturmfurer over de voedsel voorziening in Nederland. Uit de inventarisatie van de granen, was gebleken dat de graanvoorraden tot de oogst 1941 krap was, zodat er niets naar Duitsland geleverd kon worden.

HERINNERING (14)

Wij zouden deze aflevering willen beginnen met een oud gezegde waar God zijn kerk bouwt, bouwt de duivel zijn kapel. Wat inhoud dat goed bedoelde instellingen of wetten, benut worden tot persoonlijke voordelen en verrijking. De distributie had tot doel de beschikbaren voorraden levensmiddelen en andere gebruiks artikelen zo rechtvaardig mogelijk onder de bevolking te verdelen. Levensmiddelen werden verdeeld door een bonnen stelsel, gebruiks voorwerpen zoals schoenen, kleding, rijwielbanden enz. daarvoor moesten speciale aanvragen worden ingediend waarop al of niet gunstig werd beschikt. In deze laatste regeling was vrienden dienst intimidatie en diens en wederdienst mogelijk.
De aangewezen bonnen bleven een bepaalde periode geldig. In deze periode moesten de bonnen worden ingeleverd om het aangewezen te kunnen kopen. De winkelier moest dan deze bonnen op de daarvoor bestemde formulieren plakken en kreeg op het distributie-kantoor daarvoor de z.g.n. toewijzingen die hij bij zijn grossier of fabrikant kon inleveren voor herbevoorrading. De volle op het distributiekantoor ingeleverde formulieren moesten dan vernietigd worden. Maar het gebeurde wel eens dat zo’n formulier in de binnenzak van een ambtenaar die deze dan terug gaf aan de betrokken winkelier welke daar dan opnieuw een toewijzing op kreeg. Het wil mij voorkomen dat de betrokken ambtenaar deze oneerlijkheid eerder bedreef om de Duitsers te benadelen, hij was een echte moffenvreter, dan om zich te bevoordelen.
Vriendjespolitiek. O ja. Destijds waren hier in Udenhout nogal verschillende grotere en kleinere kruidenierswinkels. Het was toen nogal gebruikelijk “klanten” gaan vragen om dan later de boodschappen thuis te bezorgen. Dat daarbij een rijwiel nodig was is voor iedereen begrijpelijk. Nu gebeurde het dat een van die kleine bedrijfjes rijwielbanden aanvroeg en ook kreeg toegewezen. Een wat groter kruideniersbedrijf had reeds driemaal een aanvrage ingediend maar was telkens afgewezen. De betrokken winkelier wachtte op een avond de ambtenaar welke over deze zaken besliste op en deze kreeg het volgende te horen: “Dat kleinere bedrijf heeft van jou op zijn aanvrage wel rijwielbanden toegewezen gekregen. Ik heb reeds driekeer een aanvrage ingediend welke telkens is afgewezen. Nu heb ik voor de vierde keer een aanvrage ingediend. Indien deze nu weer wordt afgewezen dan zal ik met jou wel ‘ns afrekenen begrepen!” Die aanvrage werd pront gehonoreerd.
Wanneer een aanvrage werd afgewezen kon men een beroep doen op de directeur van het distributiekantoor om de noodzaak van toewijzing van een rijwielband nader toe te lichten om alzo het gevraagde toch nog te verkrijgen. Een door de afwijzing zich gedupeerde, vroeg en verkreeg een “audiëntie” bij deze anders zo onbereikbare functionaris. Hij kreeg gelegenheid zijn aanvrage te motiveren, deze berustte op 2 factoren n.l. : A) hij had het rijwiel voor zijn bedrijf nodig, voor bezoek aan diverse klanten, B) hij was lid van de luchtbeschermingsdienst waarvoor zich spoedig te kunnen verplaatsen nodig was. De in deze gezaghebbende ambtenaar werd er bij geroepen en deze haalde het ingediende formulier op. Daaruit bleek dat het per dag te rijden kilometers te laag was opgegeven. Er stond 18 km p. dat en dit moest min. 20 km. Per dag zijn.
Op grond daarvan was de aanvrage afgewezen. De aanvrager vond het veranderen van 18 tot 20 km. Geen bezwaar en veranderde dat meteen. Waarop de betrokken ambtenaar opmerkte; dit is buiten mijn verantwoording. De aanvrager antwoordde: “Geen nood, dat verantwoord ik zelf wel”.
Toen de ambtenaar weg was, zei de directeur in wiens tegenwoordigheid dit alles afspeelde, Ik ben als vreemde hier in Oisterwijk ingekomen, ik heb een karwei op te knappen en weet niet tot wie ik me moet wenden, zou jij het willen doen?”
Dat was gauw tot een akkoord en zo was die zaak in de kortste keren geregeld en afgehandeld tot genoegen van beide partijen.
Het steeds nijpender wordende gebrek aan rijwielbanden deden de wielrijders zoeken naar vervangingsmiddelen. Die waren er zo goed als niet te vinden. Gepoogd werd de totaal versleten en niet meer te repareren banden te vervangen door hout hetwelk natuurlijk geen succes werd. Ook geheel volle banden waren niet te berijden. Dikke gas en tuinslangen hadden het nadeel dat die niet goed aaneen gemaakt konden worden hetwelk de berijder telkenmale, als die las op het wegdek kwam een schok gaf.
Het gaan fietsen was geen aangename ontspanning meer. Teneinde raad waren er ook fietsers die dan maar gewoon op de velling reden, hetwelk de snelheid niet bevorderde. Er zullen natuurlijk via de zwarte markt nog wel banden verkrijgbaar geweest zijn, over prijzen daarvan is mij niets meer bekend.
– – – – –
Een klein joch reed met zijn step naast een Duits soldaat. Deze sprak hem aan en zei: “Wat heb jij een mooie step, zeker jarig geweest.” “Nee”, was het antwoord. “Gekregen van je Opa?”, “Ook niet”. “Nu weet ik het”, zei de Duitser, “voor overgang op school van je vader gekregen”. “Mis”, antwoordde de jongen. “Dan heb je hem zeker gestolen?”, opperde de Duitser. “Dan zou ik hem toch zeker wel groen geverfd hebben”, wat het nu verontwaardigd antwoord.

HERINNERING (15)

Naar mate de oorlog langer duurde werden de rantsoenen steeds kleiner zodat op vele plaatsen, vooral in de grote steden waar alles op de bonnen gekocht moest worden, steeds meer honger geleden werd. Op 27 oktober 1943 achtte Ir. Louwes, directeur generaal van de Voedselvoorziening in Nederland, de Haubtabteiling Ernahrung und Landwirtschat, zich genoodzaakt deze te waarschuwen over de slechte voedings- en gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking; hij verzocht om ingrijpende wijzingen te brengen in de export en de leveranties aan de Wehrmacht. Of deze beperkingen resultaat opgeleverd hebben betwijfelt schrijver, wel weet ik wat in augustus 1944 per volwassenen voor 22 cent per week op de aangegeven bonnen verkrijgbaar was. Een vetpot zal het voor de meeste mensen dus wel niet geweest zijn.
Daar ook de genotmiddelen zoals chocolade, suiker en suikerwerken op de bon waren evenals tabak en tabaksartikelen en deze in vele gezinnen niet of nauwelijks gebruikt werden, waren deze bonnen in de sluikhandel geld waard en vormde een inkomen voor hen die hun geld voor andere zaken beter konden gebruiken. Vooral tabak en boterbonnen waren in trek en daardoor ook duur. Het is moeilijk om deze kringloop precies te omschrijven daar er zo veel manieren waren om clandestien te kopen en te verkopen. Wel is zeker, dat de producenten, ik denk hierbij het eerste aan de landbouwer en fabrikanten van levensmiddelen en in feite aan iedereen welke iets voortbrachten of wel handeldreven. Het is onzin alleen de boer van woeker te beschuldigen het is naar mijn ondervinding dat allen die met handel en industrie te maken had, op enkele idealisten na allemaal zich hebben schuldig gemaakt aan overtreding van de distributie en prijsbeheersingwetten. En die dat niet gedaan hadden, hebben er weinig of geen kans voor gehad. Voorbeelden te over om aan te tonen dat hij die kans had zich te verrijken of te bevoordelen dat in de regel niet nalieten en daarvoor zich door verschillende motivaties ook rechtvaardigde. De prijzen op de zwarte markt stegen dan ook met de dag en vele directe levensbehoeften waren voor de kleine man dan ook onbetaalbaar, tenzij dat hij zelf er kans voor zag een handeltje er van te maken.
Twee Tilburgse vrouwen klopten aan bij een Udenhoutse boerin en vroegen of zij per vrouw twee eieren konden kopen. Ja dat kon. De officieel vastgestelde prijs was 5 cent per stuk, de Tilburgse dames moesten er f 1,25 per stuk voor betalen. En dat gebeurde dan ook, iedere twee eieren was 2 x f1,25 = f 2,50. Toen de transactie was afgesloten zei de boerin: “Ik ken jullie wel”??? “Ja, ik ken jullie goed. Vroeger, dat was dan voor de oorlog, het was nu 1943, stond ik met een korf eieren op de Besterse markt. Dan kwamen jullie, je waart altijd samen, en vroegen aan mij wat de eieren kosten. Ik zei dan 2,5 cent per stuk, Ge rommelde dan ‘ns in de korf, stiet hier of daar ‘ns een ei kapot, die ge dan ook niet mee nam of ze ook niet betaalden en dan ging je naar m’n buurvrouw eieren kopen want die waren groter wist ge dan te vertellen. Maar nu kosten ze f 1,25 per stuk en het zijn nog niet eens de grootste”. Goeden dag samen en wel thuis!!”
Het was op ’n zomer dag in juni 1943 dat ik voor een zakelijke aangelegenheid kwam bij een landbouwersfamilie in Riel. De oudste zoon zat buiten en had op een tafel voor hem pakjes Rode-Ster tabak liggen. Een ongekende weelde in die tijd. Ik vroeg hem hoe hij aan die tabak gekomen was, waarop hij mij vertelde dat hij bij de Landstand, een organisatie onder auspiciën van de N.S.B. gegaan was, daardoor in de bevoorrechte positie was gekomen en tabak gekregen had voor het beroken van de bijen wanneer deze verzorgd moesten worden. De Landstand kan mij niets ver…., maar de tabak wel, verduidelijkte hij mij. In mijn hart was ik niet met hem eens, maar per slot van rekening moest hij het zelf weten.
Op m’n vraag of ik een pakje tabak kon overnemen kreeg ik een bevestigend antwoord. En de prijs, nou die viel me in deze bitter tegen. De gewone prijs was 13 cent per pakje. Ik behoefde “slechts” f 2,50 te geven! Dat deed ik, ik betaalde prompt de twee gulden vijftig, had met zijn ouders ook nog wat te verreken en telde toen meteen die F 2,50 er extra bij. ’t Was toen nog een voordeeltje.
Zijn vader was in gesprek met een Tilburger die een zak tarwe van hem wou kopen. Nou dat kon, in het zwart natuurlijk. De vooroorlogse prijs was 7 cent per kilo. Nu vroeg de boer F50,– per zak. Dat vond de Tilburger wel veel te duur. Hij noemde het een woekerprijs. Waarop de boer antwoordde: “Hoor ‘ns hier beste man, toen ik de tarwe moest verkopen voor 6 of 7 cent per kilo, was jij er niet om mij 8 of 9 cent te bieden omdat ik tegen 6 of 7 cent nauwelijks de kostprijs kon verdienen. Jij kocht waar je het goedkoopste kon kopen, ongeacht of de boer zijn boterham er aan kon verdienen. Wanneer ik deze tarwe aan een Belg verkoop kan ik er meer voor vragen. Dus je koopt of je doet het niet”. Hij deed het wel.
Men kan nu alle boeren over een kam gaan scheren, maar dat zou een grote onrechtvaardigheid zijn, bovendien waren de mensen uit andere standen niet veel beter.
Ik stapte eens een keer bij een molenaar binnen waar de knecht druk met roggemalen bezig was. Achter in de molen stond een “hoogkar” met ’n tiental zakken rogge er op die blijkbaar clandestien gemalen moesten worden. De man haalde een zak rogge van de kar, stortte die in de transporteur welke de rogge naar boven transporteerde. Terwijl de man de tweede zak ging halen nam de molenaarsknecht een grote schep, haalde uit een van de dichtbijstaande zak een schep vol en deed dat bij de rogge er zorgvuldig op lettende dat er op de transporteur niets van te zien bleef. Dat spelletje herhaald zich telkens als de boer de zak gemalen rogge weg bracht en een nog te malen mede terug bracht. Ineens kreeg hij er erg in dat ik dat gewoon stond af te kijken. Hij keek me aan en zei toen: “Ja, ik ben een beetje gemengd varkensvoer aan het maken”. Ik gaf geen antwoord en weet niet of hij daarmee de boer of de varkens bedoelde. Wel wist ik dat die boer, zonder dat deze daar iets van wist plm. een halve zak rogge zemelen inplaats van roggemeel mee naar huis kon nemen, die de molenaarsknecht op deze manier heel gewoon tegen roggemeel had omgeruild. Want de zakken rogge werden voor en na het malen gewogen. Het gewicht had hij dus wel. Maar de kwaliteit niet.
Of deze handelswijze nou rechtvaardig was dat zullen we, naar een oud gezegde, God en de mulder maar laten scheiden, want die scheiden zo veel.
Alles wat men kocht buiten de distributie om was buitensporig duur en dat terwijl de arbeidslonen vrijwel hetzelfde bleven.
Al gingen die dan ook wel een stijge3nde lijn vertonen. Veertig tot vijftig cent per uur dat was in 1943 en 1944 een goed uurloon.
Wilde men zich eens een extraatje verwerven dan was men nood gedwongen, ofwel op een of andere manier aan de smokkelpraktijken mee te doen, ofwel door ruilen het begeerde te bemachtigen.
Een vrouwelijke hulp in het huishouden werd met 75 cent tot F 1,– per dag als goed betaald beschouwd.

HERINNERING (16)

We willen nog even doorgaan met het noemen van prijzen. Het was niet alleen de landbouwer die “goede” prijzen maakte. Voor een coupon wollen kamgaren 3.10 m. dus voldoende voor een kostuum naar maat werd f 300,== neergeteld. Een paar schoenen gingen al gauw f 80,= tot f 90,= kosten. Paling voor ’40 – 50 cent per bosje van ’n zestal kleine palingen . Voor paling van enige betekenis werd al gauw f 30,= per stuk betaald. Aardappelen tot f 0,60 per kilo. Boter
f 25,= per pond. Rund- of varkensvet f30,= tot f 40,= per kilo, Spek F 30,=, ham f 50,= tot f 70,= per kilo. Met de alcohol was het al niet beter gesteld. Het was wel zo dat we in ons stamcafé iedere zondag ’n paar glaasjes jenever konden kopen tegen de oude prijs dat was dan 15 cent per glas. Maar deze jenever bestond dan ook voor minstens 50% uit water zodat men amper kon proeven wat men dronk. Een opmerking in deze richting werd met een schouderophaling door de kastelein beantwoord, waaraan hij ten overvloede nog aan toevoegde: “Wij krijgen hem zo van de slijterij”. Hetwelk voor kennisneming werd aangenomen, maar de klanten dachten er toch wel anders over. Ik moet er echter wel aan toevoegen dat “onze” slijter ieder kwartaal een halve liter tegen de normale prijs kwam brengen. Ook bij uitzonderlijke gelegenheden kon men op hem rekenen en behoefde men niet in het “ zwart” te betalen. Want dan liepen de prijzen op tot 50 a 60 gulden per liter.
Ik vertelde reeds over de rijwielbanden. Bij leeftijdsgenoten heb ik daarover nader geïnformeerd. Deze vertelde mij dat een buitenband f80,= moest opbrengen. Hij had voor een nieuw rijwiel f 400,= moeten betalen, terwijl de gewone prijs van een rijwiel hooguit f 60,= kostte. Er waren ook rijwielen die amperaan f 50,= waren.
Daar ook de kolen streng gerantsoeneerd waren en er dus een tekort was om de huiskamers in de winter te verwarmen en ook voor eten te koken, kwam stookhout er natuurlijk als vervangingsmiddel aan te pas. Ook deze prijzen logen er niet om. De eerder waardeloze hakspaanders gingen nu 15 a 20 cent per kilo doen. Dit hout was nog groen en nat. Zodat men een aardige duit neertelde voor het water dat dit hout bevatte. Tabak was een eveneens begeerd artikel. Men kon zich gelukkig prijzen als men via via eens een kilo tabakstof kon kopen welke in de pijp best te roken was. Het meerdere deel van de rokers rookten de vanuit België binnen gesmokkelde tabak. Welke goed vochtig, om niet te zeggen, goed nat f 3,50 per 50 gram kostte. Deze tabak had spottende naam: “Fleur de matras”, oftewel, versneden en bewerkt zeegras.
Een vervangingsmiddel kwam op de markt en dat was dan wel de beroemde, of liever gezegd, de beroerde “eigen teelt”. Men kon nl. tabaksplantjes kopen. Deze groeide dan, uitgeplant in eigen tuin, uit tot flinke planten met grote bladeren. De onderste bladen waren de beste, dat was nl. het zandblad. Wanneer de planten waren volgroeid dan werden deze geplukt, tot bussels gebonden en tussen hooi gestopt om ze te laten broeien. Daar dit zonder enige vakkennis gebeurde was het dan ook niet te verwonderen dat er weinig goeds van terecht kwam. Lukte het echter wel, dan werden de bladderen gedroogd en gingen vervolgens naar een tabaksfabriek om deze te laten fermenteren en te snijden, waarna men inderdaad tabak terug kreeg. Men moest echter wel ijzersterke longen hebben of men rookte zich aan dat spul kapot. Ook was er nog in die handel buhcheque te koop. Degene die deze kochten verzamelde alle eindjes van sigaretten en peukjessigaren die weggeworpen werden. Deze werden dan van papier ontdaan, de sigareneindjes klein gesneden, gedroogd en opnieuw verkocht. Rookt smakelijk.

HERINNERING (17)

We willen deze aflevering beginnen met een spotlied uit die tijd, het was 1943. We vonden het nog tussen enige oude paperassen.

Het valt niet mee om wat te zeggen
Over deze nieuwe tijd
Men moet secuur nu overleggen
’t Moet toch de waarheid zijn.
Om de winkels te bekijken
Och dat is geen aardigheid
Keuze maken is niet moeilijk
In deze distributietijd
Somtijds is het wel eenvoudig
Alles is immers op de bon
Heil! Degene die dit kunstje
Eindelijk voor ons verzon
Bij een schilder koopt men schoenen
Bij een bakker brandewijn
Bij een visboer, turf, konijnen
Bij een kruidenier satijn
Voor tabak moet gij nu wezen
Bij uw kolenhandelaar
Voor uw brood en pelterijen
Komt gij bij een goudsmid klaar
Hebt gij zeep of scheerkwast nodig
Gaat maar naar een drukkerij
En uw hout en extra kolen
Krijgt gij uit een slagerij
Kippen worden prompt geleverd
Door een bloemkwekerij
Voor bananen, thee en koffie
Is de markt inmiddels vrijdag
Denken we aan ’t verleden
Aan die goede oude tijd
Dan zeggen we tot elkander
Waren we maar die moffen kwijt.

Tegenover de royaliteit van de slager steekt de bekrompen schrilheid, misschien wel noodzakelijk, wel erg af. Doch de eerste kon door zijn ambachtelijk werk zich meer ruimte schappen in de distributie van vlees en vleeswaren dan wie ook. Het aan huis slachten van varkens en soms ook van kalveren was toen nog een algemeen gebruik. Door het opvangen van het bloed, hetwelk anders toch verwaarloosd werd, en het kopen van lever die destijds door het boeren gezin evenmin gebruikt werd kon door de slager, door de veelheid van de huisslachtingen, thuis bloed en leverworst gemaakt worden. Deze werd dan op de bon ofwel in het zwart verkocht. Dit en nog andere zaken schiepen een ruimte die vooral in de zwarte handel goed van pas kwam. De lezer zal zich misschien afvragen, was er dan geen controle? Het antwoord daarop is: Ja, die was er wel, maar daarin was een groot verschil. De meeste van hen kwamen uit de boerenstand en met enig variant op het gezegde: “grote honden bijten elkaar niet”, was het dat de kleine honden het ook niet doen. De heren controleurs kende spoedig het klappen van de zweep en… ze hadden ook honger!
Het was allemaal officieel geregeld. Het geslachte varken of rund moest onder toezicht van een controleur gewogen worden. Daarna moest de betreffende boer de vleesbonnen inleveren. Was b.v. het vleesrantsoen 250 gram per persoon per week, en bestond het gezin uit 8 personen, dan mocht hij per jaar 8×250 gr. X 52 weken, 104 kilo vlees behouden en daardoor de benodigde bonnen inleveren of werden in de daarop volgende periode ingehouden. Was het geslachte niet aan dat gewicht dan mocht met dezelfde regeling nog eenmaal geslacht worden. Nu gebeurde het dat er een huisslachting plaats had bij een hoofdcontroleur. Zijn varken haalde precies het gewicht waarop hij enigszins teleur gesteld terloops opmerkte: “Jammer dat het varken niet 10 kilo minder woog, dan mocht ik dit jaar er nog een slachten.
Nu dat was wel te regelen. En de man kon zijn tweede varken dat jaar nog slachten, maar hij zat nu wel vast aan de slager welke daarvoor een gepast gebruik maakte. Ook wanneer er bij een burger geslacht werd, werd er bij het wegen wel eens door de vingers gezien. Er waren echter ook nog andere controleurs te verwachtten, lid van de landstand en/of van de N.S.B. Met deze heren was het niet goed kersen te eten. Met een eventuele smokkel of ontduiking ging men onverbiddelijk op de bon en de straffen daarvoor waren niet mals eerder huiveringwekkend. Kon een overtreding der wetten, b.v. te weinig melk leveren met een geldboete worden afgedaan. Het clandestien slachten of smokkelen op grotere schaal werd onverbiddelijk met gevangenisstraf gestraft welke tot gevolg kon hebben het verbannen naar een concentratiekamp. Slechts weinigen zijn daarvan teruggekeerd. Ik moet er aan toevoegen dat dat geen Udenhouter is overkomen. In een zware overtreding liep de boer bovendien nog de kans dat zijn gezin uit de boerderij gezet kon worden die dan verder geëxploiteerd werd door de Heidemaatschappij. Tijdens het clandestien slachten van een kalf waarmede voor alle voorzichtigheid de “goei” kamer was uitgekozen, zagen boer en slager een berucht controleur aankomen. Zij beleefden nu de schrik van hun leven, want zij wisten dat wanneer hij hun zo zou vinden ze onherroepelijk tot het concentratiekamp veroordeeld waren. Goede raad duur. De boer ging de huiskamer in, in angstige spanning wat er nu gebeuren ging. De slager zat in doodsangst bij het reeds gedode kalf en zag maar een uitweg: als die vent hier binnen komt dan steek ik hem kapot. Wat er dan later van komt zien we dan wel weer. De controleur ging met de boer het vee tellen en omdat daar alles in orde bevonden werd gingen zij samen weer de huiskamer in. Na nog een praatje gemaakt te hebben stapte de controleur op. Het was hem blijkbaar niet opgedragen een huiszoeking te doen.
Kinderen en dronkaards zeggen de waarheid, is een oud gezegde: Alhoewel de waarheid niet altijd in dank aanvaard wordt. Zo’n geval overkwam een boerin welke een controleur over de vloer kreeg om het vee te tellen. Op de vraag hoeveel kippen ze had antwoordde zij: “Vijfentwintig”, waarop zo’n spruit van een jaar of vijf het woord na men riep: “och moeder, we hebben er wel vijftig”. “Vijftig?” deed de controleur verbaasd, dan gaan wij ze samen eens tellen”. Hij nam de jongen bij de hand en ging er mee naar het kippen hok. Maar telt maar eens een partij rondscharrelende kippen.
Ondanks de medewerking van de vijfjarige kwam de controleur niet verder dan vijf en twintig. Hij ging weer naar binnen en zei tegen de vrouw, “Ik kan niet verder tellen dan vijf en twintig, maar als ge er meer hebt ruimt er dan enkele op, er moest eens iemand komen die geleerder is dan ik en verder kan tellen, goede dag samen!” Of dat de knaap een reprimande gehad heeft voor zijn waarheidsgetrouwe mededeling, heeft de controleur niet afgewacht, maar is wel waarschijnlijk.

HERINNERING (18)

In feite stonden alle landbouwbedrijven onder controle van het distributie bureau voor landbouwproductie en aangelegen delen te Berkel-Enschot. In de wandeling werd het gewoon het bureau genoemd en de directeur: de bureauhouder.
Wie het geweest is weet ik niet, of dat hij bijzonder streng was kan ik moeilijk veronderstellen, gezien de gedragingen van de controleurs en de landbouwers. Op dit bureau werd wel uitgemaakt wat en hoeveel de landbouwer moest leveren. De oppervlakte van de beteelde grond bepaalde hoeveel koren, of aardappelen geleverd moesten worden. Zo ook met het aantal koeien, maar daarbij gold dan ook nog de bepaling dat alle melk geleverd moest worden behalve dan die benodigd en toegestaan was voor eigen gebruik. Het dorsen der granen, ook het rooien van de aardappelen stonden onder controle. Het melken was moeilijker te controleren daar die beesten in het algemeen genomen omstreeks dezelfde tijd gemolken werden. Bovendien waren die beesten verschillend in de hoeveelheid melk gift. Het was voor de boeren dus zaak om van begin af zo weinig mogelijk te leveren. Voor de controleurs was het dus zaak de melkers op heterdaad te betrappen, hetwelk dan ook een boerin op een zondagmorgen prompt overkwam. Op deze hofstede kwamen nogal veel burgers een liter melk halen die meestal tegen fabrieksprijs verkocht werd. Daardoor werd minder geleverd dan het “bureau” verwachtte. Door dit te weinig leveren, ook indien het granen of aardappelen betrof, kwamen die landbouwers op de zwarte lijst te staan en extra gecontroleerd. De boerin in kwestie had de controleurs niet zien aankomen, “anders had ik wel een emmer met melk laten omvallen”, zo verontschuldigde zij zich later. Een proces en een fikste boete waren het minder aangenaam resultaat. Een andere landbouwer bracht het er beter af. Hij had aangifte gedaan van het slachten van een varken. Prompt werd het beest geslacht en gewogen onder toezicht van een controleur die op diverse plaatsen een stempel zette als bewijs dat er een controle had plaatsgehad.
Hij werd daarop uitgenodigd mede naar binnen te komen om een kop koffie te drinken, welke uitnodiging hij aanvaarde. Van deze gelegenheid maakte een zoon gebruik om de stempel uit de fietstas te nemen en vlug het varken dat daags van te voren geslacht was eveneens van de nodige stempels te voorzien. Dat de controleur toen vriendelijk werd uitgewuifd kan men zich voorstellen.
Niet alleen de boerenstand stond onder druk, maar vooral ook de producerende middenstand. Door de prijsbeheersingwet was het voorgeschreven dat bij ieder afgeleverd werkstuk een gespecificeerde kostprijs-berekening bij het afschrift van de uitgaande nota moest zitten. Bij controle van een goed gevoerd bedrijf die overeen zeer duidelijke en gedetailleerde boekhouding beschikte bleek op de berekening niet het aantal spijkertjes, lijn en garen vermeld te zijn maar onder een algemene post: onkosten, te zijn vermeld. Zonder dat er op of aanmerking gemaakt werd vertrok de controleur. De middenstander keek toch wel een beetje verbaasd toen hij enige tijd nadien een oproep kreeg om voor de speciale rechtbank te verschijnen om zich te verantwoorden wegens overtreding van de prijsbeheersingwet. Hij kon zich ook bij verstek laten veroordelen en beloofde dus niet persoonlijk te komen. De middenstander welke zich ten onrechte geverbaliseerd voelde, gezien zijn zeer goede boekhouding en de onmogelijkheid om aan het voorschrift, van ieder spijkertje te berekenen kon voldoen, besloot wel naar Breda te gaan, zijn boekhouding mede te nemen en aan te tonen dat aan de eis alles te specificeren onmogelijk voldaan kon worden.
In Breda in het speciale rechtsgebouw aangekomen werd hij in de wachtkamer binnen gelaten waarin zich nog een twintigtal zondaren bijeen waren. Na “even” geduld te hebben beoefend werden alle tegelijk in de rechtszaal geroepen d.w.z. in een kamer waarin één tafel en één stoel stond waarop een streng uitziende mijnheer zat. Na dat alle zo in een halve kring om de tafel plaats genomen hadden nam de heer het woord en zei: “Mijne heren, jullie zijt allemaal in overtreding geweest van de prijsbeheersingwet de een in mindere mate, de andere in grotere mate. Over d al of niet uitvoerbaarheid van de wet wordt hier niet gediscuteerd, daarvoor moeten jullie bij jullie bond zijn. Jullie zijn alle veroordeeld tot het betalen van f 15,== boete. Je kunt hoger beroep aantekenen bij mijnheer X en verder geen commentaar!”
Een der aanwezige antwoordde hierop en vroeg: “Is dit een rechtspleging volgens Duits model?” Waarop het nijdige antwoord volgde: “Geen beledigingen aan de Duitse wetgeving a.u.b., je kunt gaan”. Zwijgend verliet het hele stel de zaal. Diep in het hart gekwetst over deze rechtspleging en stil hopend dat er spoedig een einde zou komen aan de heerschap der Nazi die slechts een wet kende en dat was die van het recht der sterkste.

HERINNERING (19)

Het woord boeren en woeker waren voor vele synoniem. Het welk natuurlijk legaal het feit dat het hier om de eerste levensgeboefte ging. Toch was dat niet zo. Vele landbouwers hadden een milde houding tegenover hun in nood verkerenden medemensen. Bovendien moet men bedenken dat ook de boer zijn benodigdheden, zoals gereedschappen en kleding op de zwarte markt moest kopen, tegen de daarvoor behorende niet geringe prijzen. Onder het motto: “wij onttrekken de melk ook aan de Duitsers, hielden vele boeren melk, die op straffe….. aan de zuivelfabrieken geleverd moest worden achter. Gedeeltelijk om zelf te karnen en boter te maken, gedeeltelijk werd deze melk aan burgers, welke alleen over een kleine portie melk en over taptemelk konden beschikken door verkocht voor 6 cent per liter. Deze konden dan ook dagelijks een liter melk komen halen. Op de dag van de bevrijding stopten vele met deze clandestiene melk leverantie. Ze waren van oordeel dat nu de melk niet meer aan de Duitsers toe kwam en dat ieder burger recht had op zijn portie. Maar niet alleen waren ze zo medemenselijk. In m’n gedachte zie ik nog een volgende gebeurtenis afspelen. Het was wel een zeldzaam keihard geval, laat ons dat rustig erbij vertellen.
Het was enige tijd voor de bevrijding. De geallieerde legers waren overal in de opmars en hier in Udenhout liepen de geruchten dat de Engelsen reeds Breda bereikt hadden. Het viaduct in Tilburg zou onder vuur liggen, waardoor het voor normaal verkeer onbruikbaar was. Ook zoude de Engelse vliegers de Rijksweg geregeld onder vuur hebben om het Duitse leger verkeer zo veel mogelijk te blokkeren.
Op een dag kwam dokter Lobach bij een E.H.B.O.-er met het dringend verzoek een doodzieke man, welke reeds van de laatste sacramenten, een term uit het verleden die de ernst van de toestand aangaf, naar het ziekenhuis te Tilburg over te brengen. Het was zijn enigste kans om de ziekte te overleven. De ambulance uit Tilburg kon wegens gebrek aan benzine de zieke niet komen halen. De E.H.BO.-er zag wel de noodzaak van het geval in, maar hoe mest het transport geschieden. Per brancard dragen? Ga er maar aanstaan. Bovendien kon het de dood van de zieke betekenen. Het was een onmogelijke opgave. En toch moest het. Dan herinnerde zich de E.H.B.O. er dat hij bij Pieter Witlox pas nog een bakfiets had zien staan, als we die nou eens gebruiken, dokter en E.H.B.O. er naar Witlox, en dat mocht meteen. Ad van de Plas werd er bij geroepen om gaten in de voor en achterwand te boren waar de handgrepen van het brancard door konden zodat een verschuiven van de brancard tijdens het transport onmogelijk was en de zieke rustig kon blijven liggen. Willem Brekelmans schilderde met haast rode kruizen op het wagentje. Een oud wit laken werd ook van een rood kruis voorzien. Op hoop van zegen en bevrijd te blijven van een beschieting werd de tocht aangevangen. Eerst werden nog de nodige hulpkrachten van de B.B. opgeroepen. Met z’n drieën werd de tocht aanvaard. Eerst werd de zieke die wat achteraf woonde opgehaald. Z’n broer ging ook mee en na alle voorzorgen genomen te hebben ging het richting Tilburg. Om beurten werd er gefietst, met de zieke was afgesproken dat wanneer hij hulp behoefde zijn ogen een posoje dicht zouden houden om zo die behoefte kenbaar te maken. De tocht was moeilijk, bovendien speelde de niet denkbeeldige angst door Engelse vliegers beschoten te worden, vooral toen we over de Rijksweg reden. Afijn ze kwamen zonder ongelukken in Tilburg aan. De zieke was nog in goede welstand en de groep besloot zo gauw mogelijk terug te keren. Ze stonden klaar voor het vertrek toen een verpleegster kwam aanlopen met de boodschap dat een Udenhouts meisje, dat in het ziekenhuis verpleegd was naar huis mocht. Of we die konden meenemen, maar ze moesten wel wachten want de dokter moest haar eerst “vrij” geven. Nou gewacht werd er. Het werd ongeveer drie uur eer het gezelschap kon vertrekken. Bij het begin van de Enschotsestraat in Tilburg werd besloten dat een gedeelte van de groep over de Enschotsestraat zou gaan, die weg was immers korter. De bakfietsberijders zouden over de Rijksweg gaan. De broer van de zieke en de E.H.B.O.er gingen samen door de Enschotsestraat. Het was een hele tippel, vooral voor degene die het lange afstand lopen niet gewend waren.

HERINNERING (20)

Bij het begin van de Enschotsebaan, even buiten Tilburg, werd een ogenblik geposeerd. Besloten werd dat een E.H.B.O.er en de broer van de zieke door de Enschotsebaan zouden lopen. De rijdende “brancard” zou over de Rijksweg gaan omdat de Enschotsebaan destijds nog niet verhard en daarvoor zo’n bakfiets moeilijk te berijden was. Een E.H.B.O.er en de broer van de zieke stapte over de baan, afgesproken was om bij de Enschotse kerk elkaar te zullen wachten. Het was tijdens deze wandeling dat de E.H.B.O.er met de broer van de weggebrachte zieke het volgende gesprek had.
Broer: Hoeveel ben ik jullie verschuldigd voor dit transport?
E.H.B.O.er: Niets
Broer: Niets? Dan worden jullie zeker goed betaald door de gemeente!”
E.H.B.O.er: Goed betaald, wat noem je goed betaald?
Broer, schouder ophalend: Och, dat weet ik zo precies niet!
E.H.B.O.er: Een gulden?
Broer: Neen, dat is niks.
E.H.B.O.er: Twee gulden vijftig dan?
Broer: Dat is toch ook nog niet veel.
E.H.B.O.er: Nou ’n tientje dan.
Broer: Ja dat is wel goed betaald.
E.H.B.O.er: En denk je dat ik zo zot zou zijn om voor tien gulden te voet op en neer naar Tilburg zou tippelen, met een goede kans om door een Engelse vlieger door je donder geschoten te worden? Nee man zo gek ben ik nou ook weer niet. We zijn E.H.B.O.ers en verlenen onze hulp geheel gratis.
Verder werd er geen woord meer gesproken.
Bij de Enschotse kerk gekomen behoefde we niet lang te wachten op de rijdende brancardiers. Zo wat gelijktijdig was het gezelschap compleet en gingen we onze patiënte naar haar ouders brengen. Daar werden ze enthousiast ontvangen. Vader en Moeder waren dolgelukkig met de onverwachte thuiskomst van hun dochter. Zij wisten wel dat de dochter naar huis mocht, maar omdat er geen enkel vervoer meer was hadden zij geen idee hoe hun kind naar huis zou komen. Julie zullen zeker wel honger hebben, omdat ge van de voormiddag af al op stap bent, het is nu al vier uur. Ik zal vlug koffie zetten. Even nadien stond er koffie en boerenmik en ham op tafel. Het smaakte goed. Na de inwendige mens versterkt te hebben stapten de E.H.B.O.er op over de prijs van het transport werd nog even gediscussieerd, omdat de E.H.B.O.er weigerden geld aan te nemen. Uiteindelijk kregen ze toch nog twee rijksdaalders in de hand gestopt. Dat was dan voor de kas van de E.H.B.O.
De leider van dit transport ging naar Dr. Lobach en melde zich met: Terug van weg geweest. Hij vertelde meteen wie zij mede terug gebracht hadden en dat de patiënt waarvoor het begonnen was goed bij kennis en zonder veel ongemakken in Tilburg was afgeleverd. Dr. Lobach vroeg toen: Wat heb je voor deze dag verlet gerekend? Het antwoord daar op was: “Niets. Niets?” zei dokter, “Dit is geen E.H.B.O. werk maar zieken vervoer. Daar kan je gerust een beloning voor vragen. Vraag een pond boter dat kunnen die mensen best missen. En jou gezin kan het best gebruiken. Dat is ook zo, ik vraag het nog dacht de E.H.B.O.er. De andere dag ontmoette hij de broer van zieke die met de “roomkar” op weg was naar de Zuivelfabriek. Hij hield de man staande en vroeg: “Wilt ge me niet één pond boter verkopen?” “Nee” was het korte staande antwoord. “ Misschien enige kilo’s aardappelen? Ok nie, we hebben gin erdappels te veel, Om van een verder gezanik af te zijn trok hij aan de leidsels van z’n paard en zei: “Ju”. Het paard trok aan de E.H.B.O.er had het nakijken. Deze mompelde: Ju dooie”, en dacht aan een soort gelijk kortzichtige gierigheid het welk een timmerman overkwam.
In opdracht van een boerin maakte deze een ronde schijf die precies op een grote bus paste. Midden daarin een gat precies groot genoeg om een stok door te laten waar onder aan een dikke ronde plank met gaten er in aan bevestigd was. Het geheel moest dienen om in de bus melk te boteren ofwel te karnen. Hij bracht het zelf thuis en op de vraag hoeveel hij verdiend had, antwoordde hij: “Een gulden, vijf en twintig cent.” De boerin vond dat niet veel waarop de timmerman verduidelijkte ik bedoel niet F 1,25 maar een pond boter die nu f 1,25 kost. Dat kan ik niet doen, zei de boerin die boter brengt me in Tilburg F 27,== op. En die ga ik hier nu niet verkopen voor F 1,25 Geen bezwaar meende de timmerman, dan reken ik voor mijn werk F 27,== en krijgt ge van mij F 27,== voor ’n pond boter. “Ge bent een afzetter schreeuwde de boerin. F 27,== voordat beetje werk. Dat is veel te duur.
“Zijt gij dan geen afzetter?” Gij zeker niet met je f 27,== voor ’n pond boter?
Nee zei de vrouw, ik niet want ik krijg gewoon f 27,== voor de boter. Maar gij vraagt er f 27,== voor. Dat is het verschil! Hoor ‘ns hier, antwoordde de timmerman, we zitten hier niet in Tilburg.
Op de eerst plaats mag je geen boter verkopen. Je mag ze zeker niet tegen de prijs verkopen. Zelf karnen is bij de wet ten strengste verboden. Als ik je aangeef krijg je nog een proces aan je broek en een flinke geld boete toe.”
Over dat verraden zat de boerin niet in. Die wist drommels goed dat toch niet zou gebeuren. Het eind van het liedje was dat de timmerman zijn spullen mee naar huis nam en die later aan een ander gratis en voor niets weg gaf. De boerin behield de boter en kon die rustig gaan verkopen aan Tilburgers die er zo maar uit hun eigen F 27,== voor gaven. Het karnen moest weer op de primitiefste manier gebeuren.

HERINNERING (21)

Dat de kortzichtige schrielheid ook in andere standen zich voordeed ondervond d e heer Witlox. Nadat de bakfiets eenmaal als rader brancard in gebruik was genomen werd er een drukker gebruik van gemaakt dan voorzien was. Hanneske van Laarhoven, een frequent E.H.B.O.er, haalde de heer J.H. welke doodziek geworden was te Hilvarenbeek naar Udenhout terwijl hij wist dat de wegen rond Hilvarenbeek meerdere malen onder geallieerd vuur lagen. Een beetje risico mocht Hanneske wel, hij nam wel grotere waarop wij later nog ‘ns hopen op terug te komen. Hij kwam behouden thuis.
Sjefke van de Ven z.g. bracht een schooljongen welke met munitie gespeeld had en zich daarbij verwond had naar het Ziekenhuis te Tilburg. Het was op verzoek van dokter Lobach dat een andere E.H.B.O. er een meisje ter opname in het ziekenhuis deze per deze raderbrancard ging wegbrengen. Ter hoogte van de Firma Keij houthandel werd hij door een politieagent aangehouden welke hem ontraadde de weg naar het Ziekenhuis via de spoorweg viaduct te nemen daar dit levensgevaarlijk was omdat het viaduct door de geallieerden dikwijls onder vuur genomen werd. De E.H.B.O.er had er echter weinig zin in om met de zieke nog een grote omweg te gaan maken en omdat het nu erg rustig was besloot hij het maar op te wagen en door te rijden. De agent die zulks zag attendeerde hem nogmaals op het gevaar. De E.H.B.O.er keek naar de zieke en vroeg “Ben je bang?” Ikke nie was het antwoord. Dan rijden we was het besluit. De agent trachtte het nog te verhinderen en zei: Denk er aan, het is op je eigen verantwoording als er iets gebeurd. Ik heb je gewaarschuwd.”
Wij denken er aan, was het weder woord. De E.H.B.O. er stapte op de fiets en reed zo snel hij kon onder het viaduct door naar St. Elisabeth ziekenhuis. De terugtocht werd toch over een andere weg gemaakt. Zonder ongelukken arriveerden hij weer in Udenhout.
Tegen het veelvuldig gebruik van de bakfiets had de eigenaar geen bezwaar. Wel zat hij er over in dat zijn laatste vervoermiddel door de Duitsers, welke zich volop aan het voorbereiden waren naar hun Heimat terug te keren en hun leuze: “die Radren mussen drehen fur den sieg” om te zetten in een slogan: alles wat wielen heeft kunnen we gebruiken om nog zoveel mogelijk mede te slepen naar Duitsland, ook zijn bakfiets daarom in beslag zouden nemen. De fiets onklaar maken, ze slopen en verbergen zou in geval van nood voor de E.H.B.O. een ernstige handicap zijn.
En dat was de bedoeling niet. Anderzijds was het verlies ook een financiële strop voor hem. Hij vroeg daarom aan een leider van de E.H.B.O. als ik dat ding door dit gebruik kwijt raak, wie zal dan de schade vergoeden?” Impulsief antwoordde deze; De B.B. natuurlijk. Wij staan nu in dienst van de B.B. ten behoeve van de bevolking. Het is toch redelijk dat eventuele schade ook door hen vergoed worden. Het is toch al mooi genoeg dat wij ons werk zonder enige vergoeding verrichten.
De heer Witlox wendde zich daarop tot het hoofd van de B.B. Deze vond dat zo natuurlijk nog niet. Er waren brancards verstrekt en over een rijdend vervoermiddel was geen aanvrage ingediend. Bovendien bezat de B.B. geen eigen fondsen. Dus geen geld. Het was dus een kwestie van de gemeentelijke financiën. Daarop wendde zich genoemde heer tot het gemeente bestuur. Hier werd weinig begrip getoond voor het geval. Ook hier was de zuinigheid de moeder van de portemonnee en ving de heer Witlox bot. Geen geld. Doch de fiets bleef ter beschikking van de E.H.B.O. Gelukkig kwam kort daarop de bevrijding. De geallieerde soldaten hadden plezier in dat primitieve rode-kruis vervoermiddel en demonstreerden er meerdere malen mee in Udenhout. God verhoedde dat we nogmaals in een zelfde situatie terecht komen. Al ziet het er nu wel naar uit.

HERINNERING (22)

In ons verhaal hebben wij geprobeerd een beeld te schetsen van de nood waarin het Nederlandse volk in het algemeen en sommige groepen in het bijzonder verkeerden. Voor de ouderen onder ons zal het meestal al een herkenning zijn van de tijd 1940-1945. Voor de jongeren, voor zover zij dit verhaal lezen iets nieuws, iets onwaarschijnlijk. Een onbegrijpelijke toestand. Als heden iemand zegt: ‘Wat zal ik eten”, dan bedoeld hij daarmede dat hij uit de overvloed van aanbod moeilijk zijn keuze kan maken. Wanneer in 1944 iemand niet wist wat hij zou eten, dan betekende dat hij niets om te eten had. Zo ook met de kleding. Heeft een dame thans niets om aan te trekken, dan kan zij uit de overvloed van kleding niet meer de juiste keuze maken en moet er beslist iets nieuws komen . In 1944 bestonden voor velen die problemen niet. Men was blij als men nog een fatsoenlijk kleding stuk had en daar mee uit. Wij moesten bij aankoop van een gouden trouwring het zelfde gewicht aan goed goud inleveren. Bij aankoop van een tube b.v. tandpasta een lege tube. De kroonkurken van bierflesjes werden opnieuw gebruikt, sommige winkeliers zagen zich verplicht de klanten de builen waarin suiker of dergelijk werd afgewogen terug te vragen. Er waren voor hun er geen meer te koop. Op glas stond statie geld, glas terug geld terug. Onvergelijkbaar waren die jaren van 1943 ’44 en ’45 bij de tijd van nu. We leven nu in een consumptie maatschappij waarin we ons menen te kunnen veroorloven alles in de vuilnis te kunnen stoppen. Meubilair, glas, papier compleet alles tot zelfs hele kleine kindertjes toe. Weg er mee als we er op uit gekeken zijn. We willen nog eenmaal vertellen over de nood, over misbruik en tevens over vrijgevigheid.
Het gebeurde in een café in de Kreitenmolenstraat. Een zwarthandelaar bood drie coupons herenstof aan welke normaal f 21,- gekost zouden hebben voor f 300,- per coupon. Een mevrouw, moeder van o.m. drie grote jongens welke totaal uit hun kostuums gegroeid waren, probeerde die drie coupons te kopen en af te dingen. Maar dat lukte niet ze moesten f 900,– opbrengen. Zij kon dit niet verkroppen en begon te huilen. Een aanwezige slager wendde zich tot de handelaar en vroeg: “Ruilen?” Waar tegen was de wedervraag. “Ik heb twee grote gerookte hammen hangen ze wegen +/- 15 pond per stuk. Die wil ik er voor geven. Akkoord” was het antwoord. De slager ging de hammen halen en de ruiling kwam tot stand. Daarna gaf hij de drie coupons aan de vrouw met de woorden: ‘En houdt nou a.u.b. op met dat janken.”
Een ander geval. Een kleermaker uit een naburig dorp kreeg het verzoek om een communie-pakje te maken voor haar oudste zoon. Maar liefst niet van de surrogaat stoffen van tegenwoordig (1944). Liefste vooroorlogs goed. De kleermaker beloofde zijn best te zullen doen. Misschien was er bij zijn grossier nog ’n coupon van ongeveer 1,60. Hij moest toch naar Amsterdam om te proberen nog wat textiel te kopen. Maar het was er niet bij, Er was geen draad oude stof meer te koop.
Nu had die kleermaker nog een kostuum hangen waar hij zelf was uitgegroeid. Het was een blauw strijkgaren wollen stof met een zwakke rode ruit er in. Prima kwaliteit van voor de oorlog. In overleg met de moeder, ze had een groot gezin en de man was een landarbeider welke zelf nog een koe, ’n paar varkens en ander klein vee had om het huishoudelijke budget op peil te houden, werd besloten om van dat oude kostuum een communiepakje te maken en dat lukte zeer goed. Hij ging het zelf thuis brengen. Het was een mooi pakje geworden. De ouders en het kind waren enthousiast over het resultaat. Moeder vroeg direct hoeveel ze schuldig was. De kleermaker rekende alleen het maakloon en zei f 17,50. Dat is niet veel zei de vrouw en betaalde meteen. De kleermaker vroeg toen of hij een pond boter kon kopen. Dat kon. De prijs was slechts f 2,50! Dat was de kleermaker toch wel al te gortig. Bij een jongens kostuum, nog f 10,- bijleggen voor 1 pond boter. Neen dank je wel. Toen nam de man het woord en zie: Vrouw dat is niet eerlijk. Gij krijgt een kostuum aan de vooroorlogse prijs, je verkoopt ook de boter aan de kleermaker tegen vooroorlogse prijs, dus voor f 1,25. Zo gebeurden dat dan ook.
Wat een verschil van karakter. Het onmogelijk om alle van een bepaalde bevolkingsgroep, over de zelfde kam te scheren.

HERINNERING (23)

Terug naar mei 1940.
Voor een goed begrip omtrent de gebeurtenissen welke in de jaren 1940 – 1945 zouden volgen. De totale ingrijpende veranderingen welke ons volk zouden worden opgedrongen die slechts door een relatief kleine groep zou worden geaccepteerd gaan we even verder terug tot de dertiger jaren.
Hitler had in Duitsland de gehele macht aan zich getrokken. In brullende redevoeringen beloofde hij alle ariërs’ rijkdom en welstand. Een super volk zou het worden de niet ariërs zouden ondergeschikten zijn. Sommige mensen groepen werden met totale vernietiging bedreigt. Om zijn doel te bereiken werden legers geformeerd welks bewapening de werkeloosheid deed verminderen het welk het Duitse volk weer tot een zekere welstand bracht, zijn ras, bloed en bodem theorie, deed de goede verstaander huiveren. Het doel heiligt de middelen werd in het Duitse Rijk consequent toegepast.
Nederland kampte vanaf begin der dertiger jaren met een ontzettende werkeloosheid die medio de jaren dertig tot 630000 op liep. Was het een wonder dat de Nederlandse bevolking het vertrouwen in de regering verloor en als het ware, in navolging van Italië en Duitsland naar een sterke man welke de problemen van die tijd zou oplossen.
Op 14 december 1931 werd de Nationaal-Socialistische beweging door A.A. Mussert en C. v. Gulkerken opgericht. November 1932 werd de weerafdeling, W.A. door de leider van de N.S.B. opgericht. In navolging van Duitsland werden deze heren” van uniform voorzien met de opdracht de straat te veroveren. In de partij werd ook de Duitse ideologie: Ras, Bloed en Bodem met alle consequenties overgenomen.
7 januari 1933 verschijnt het eerste nummer van het partijblad van de N.S.B. “Volk en Vaderland” het welk op de straat door geuniformeerden leden opdringerig verkocht werden. De reactie daarop bleef dan ook niet uit. Behalve de vechtpartijen werden ze er ook nog voor schut gezet met velerlei anekdotes en liedjes waarvan we er een publiceren.
Op de hoek van de straat
staat geen man,
het is geen vrouw
maar een N.S.B.er.
Hij loopt de straat op en neer
met zijn krant te venten
en verkoopt zijn vaderland
voor wat losse centen.
Actie en reactie. Kan het anders. In de lente van 1933 was er een massa colportage met Vrijheid, Arbeid en Brood tegen de N.S.B. 10 maart 1933 verbiedt de regering het lidmaatschap van de N.S.B. voor de militairen.
Op 28 november gevolgd door een verbod van lidmaatschap der N.S.B. voor ambtenaren. 3 Juni 1934 wordt Mussert door Mussolini in audiëntie ontvangen. Bij de verkiezing voor de Provinciale Staten verwerft de N.S.B. 7,94 % der stemmen. 31 December 1935 ontbind Mussert zijn W.A. De jeugd organisatie van de N.S.B.: de Nationale jeugdstorm o.l.v. Van Gulkerken, wordt door de Hoge Raad onwettig verklaard. 24 Mei 1936 verbiedt het Nederlands episcopaat het lidmaatschap der N.S.B. het welk inhield dat de Katholieken de sacramenten geweigerd dienden te worden. Dat dit laatste ook werd toegepast getuigd een advertentie in het streekblad van Tilburg “De Opstand” genoemd.

Onderhoud:
De Gemachtige
Van de Leider
H.J. Leeuwenberg
En
M. Eman
De burgerlijke huwelijks voltrekking zal plaats vinden te Tilburg op het Paleis-Raadhuis op Zaterdag 6 september a.s. te 11.30 uur. De gevraagde kerkelijke inzegening zal voorlopig niet geschieden, daar de R.K. Geestelijkheid deze weigert. Gelegenheid tot feliciteren op het Provinciaal Kwartier der N.S.B. te Tilburg. Tilburg zaterdag 9 aug. 1941.

Op 2 oktober 1936 verbood de synode van de gereformeerde kerken het lidmaatschap van de N.S.B.
Op 16 maart 1936 bracht Mussert in het geheim een bezoek aan Hitler. In mei 1937 hadden de verkiezingen plaats voor de Tweede Kamer. De N.S.B. behaalde slechts 4,22% van de stemmen. M.M. Rost van Tonningen werd lid van de Tweede Kamer voor de N.S.B. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten, liep het aantal verder terug. De N.S.B. behaalde slechts 3,89% van het totale aantal stemmen.
Zo was de stand van zaken toen in mei 1940 de Duitsers ons land binnen vielen. Door slechts een handje vol volgelingen toegejuicht. Door velen argwanend bekeken zonder enige rancune. Door anderen vooral door de joden gevreesd, ook de communisten waren niet blij met de komst der Duitsers. Vele onder ons hadden geen idee van wat ons te wachten stond en waren zo naïef te denken dat wat in Duitsland gebeurde en waar over in onze dag en weekbladen te weinig over geschreven werd hier in Nederland niet zou plaats vinden. Onze ogen zouden nog wel eens open gaan. In Duitsland en hier wordt gediscuteerd over “Berufverboten” In de dertiger jaren werd dit middel ook, en niet zo weinig gehanteerd door de Nederlandse autoriteiten. Dit was naar later gebleken is niet ten onrechte. De capitulatie van het Nederlandse leger is bespoedigd door verraad en geruchten over verraad.
Dwaze geruchten soms, maar ze werden maar al te graag geloofd en door verteld. Toch is het zeker dat de overmacht der Duitsers vooral van die in de lucht Nederland door de knieën deed gaan.

HERINNERING (24)

Zo was de stand van zaken in mei 1940 toen Hitler zijn brallende rede hield, waarin hij het Duitse volk meedeelde: “Wij hebben in vijf dagen het Nederlandse leger verslagen!” Een zin, die uit de weergave van die rede in de pers zorgvuldig was verwijderd. Nederland had inderdaad gecapituleerd. Op een persoonlijk bevel van Hitler werd in Amsterdam een overwinningsparade gehouden. Een overwinningsparade die door de meeste van ons volk als een vernedering werd beleefd en slechts door een zeer kleine groep “Hou-zee” roepende N.S.Bers werd begroet.
Wat vermocht dat legertje dat voor een deel was uitgerust met kanonnen welke in een museum thuishoorde, tegen een uiterst geperfectioneerd leger, uitgerust met de modernste wapens? We geneerden ons dan ook niet voor onze nederlaag. We wisten één ding heel zeker: Duitsland zal deze oorlog nooit winnen. Dat bestaat niet! Met Frankrijk en Engeland als bondgenoot en heel in de verte Amerika? Duitsland de oorlog winnen? Nooit!
Er waren natuurlijk ook landgenoten die anders dachten en hoopten. Wanneer men bedenkt dat Nederland kampten met enige honderdduizenden werkenloze, waarvan vele een ondersteuning kregen, te weinig om van te leven en te veel om er van dood te gaan, dan is het toch niet te verwonderen dat er mensen waren die met de komst van de Duitsers een verbetering van de maatschappelijke toestanden verwachten. Waarbij zeker gerekend kunnen worden de N.S.B. die, hoewel zij een zeer kleine minderheid waren, thans gesteund door de Duitse bajonetten, het Nederlandse volk hun ideologie kon opleggen.
Ik herinner me nog een gesprek dat ik had met een onbekende toen ik per fiets vanaf Tilburg naar Udenhout reed. Wij spraken over de oorlog en de oorzaak en gevolgen daarvan en waren in onze opvattingen blijkbaar niet eens. Ik was blij Quatre Bras in het zicht te krijgen, waardoor ik met goed fatsoen van hem af kon komen, want ik werd bang van hem. Hoogst waarschijnlijk kreeg hij daar erg in en maakte een laatste opmerking door te zeggen: “Het zal nu wel veranderen. De tijd is voorbij waarbij de een alles heeft en de ander niets”. Ik antwoordde hem: “Je kunt wel eens gelijk hebben, maar dan zal het zo wel zijn dat de een niets heeft en de ander alles”.
Van een fundamentele kapitaalsverandering zoals mijn onbekende verwachtte is niets terecht gekomen. Evenmin als er beduidende ideologische veranderingen op grote schaal en op vrijwillige basis tot stand kwamen. Hierbij aangetekend dat de Duitse soldaten, rijkelijk voorzien van de in grote getallen van de Nederlandse persen rollende bankbiljetten de Nederlandse winkels in de kortst mogelijke tijd leeg kochten.
Daardoor bloeide de voordien kwijnende middenstand op. Zij kregen in enkele maanden tijds een omzet en totale opruiming die anders jaren geduurd zou hebben.
Wat Jan-soldaat in het klein deed, deden de Duitse machthebbers in het groot.
Dat de Duitse bazen er slag van hadden hier plannen en daden buiten het gezichtsveld van de gewone man te houden is de schrijver later pas duidelijk geworden. Wel vraag ik me nu nog wel ‘ns af hou dat het mogelijk is geweest dat ik en ik dank ook veel van m’n mede burgers de signalen van de komende vervolging en vernietiging der joodse medeburgers niet begrepen hebben. Terugziende op die tijd, toen ik al 35 jaar oud was, met beide benen op de grond stond niets of dan ook maar zeer weinig wist wat in Duitsland met hen gebeurden. Wellicht speelde de daarbij de onder strenge censuur staande pers en de te weinig inlichtend illegale bladen een rul.
Deze onwetendheid was dan ook wel mede de oorzaak van dat toen ik vanuit het Noorden benaderd werd m’n medewerking te verlenen voor het zoeken van onderduikadressen voor joden, dit pertinent weigerde. De oorzaak van deze weigering lag niet alleen aan de wetenschap van het gevaar dat men bij hulp aan deze mensen liep, maar wellicht in de a.h.w. aangeboren anti semitisme dat naar mijn mening en ondervinding vele Brabanders eigen was. Inderdaad zou het kunnen zijn het leven en werken het hoe en waarom, van Pater v.d. Elzen te lezen. Ook de toen gangbare uitdrukkingen over de joden getuigde niet altijd van Christelijke naastenliefde.
Waarom ik dat alles schrijf? Misschien om recht te doen aan de titel van deze serie “Herinneringen”, waarbij het mindere “dappere” toch ook gerust aan de orde mag komen. Later is mij gebleken dat andere Udenhouters wel hebben mede geholpen aan het onderdak verschaffen van joden. Jammer genoeg mislukte deze poging. Waardoor weet ik niet. De als gastheer in deze optredende Udenhouter werd gearresteerd. Hij kan zich echter aantoonbaar beroepen op een volkomen onwetendheid ten opzichte van deze medeburgers en is om die reden dan ook weer in vrijheid gesteld.

HERINNERING (25)

Wanneer alle gebeurtenissen welke van direct belang waren voor ons Nederlandse volk zouden worden omschreven, zou dat wel eens te veel ruimte gaan vergen van onze wegwijzer. Het zou de vorm krijgen van een boek en daarom willen we ons bepalen tot die gebeurtenissen welke van direct belang waren en gevolgen hadden in onze leefgemeenschap.
Op 19 mei 1940 nam Seyss-Inquart zijn benoeming als Reichs komissar für die bezetzten Niederländschen Gebiete in ontvangst. IN de Ridderzaal te Den Haag zei hij: de rechten van de Nederlandse bevolking te zullen eerbiedigen. We ondervonden wel wat daarvan terecht gekomen is. Alle rechten werden geëerbiedigd mits ze maar Duits waren afgesteld. Daartegenover zal de Duitse weermacht ieder vernietigen die de rust en vrede verstoord. Een niet mis te verstane mededeling.
Reeds in het tweede halfjaar van 1940 werd een verordening van kracht waar in bepaald werd dat alle postduivenhouders zich bij een vereniging moesten aansluiten.
Hun duiven op lijsten registreren en van hun gestorven duiven de poot met de ring bij de burgemeester moesten inleveren. Ook werd het vrij rond vliegen van alle soorten sierduiven verboden. Dat deze maatregel een grondige voorbereiding was om bij een eventuele noodzakelijke totale greep op de postduiven te hebben ontging de meeste postduivenhouders totaal. En toch was het zo.
Het duurde al niet meer zo heel lang of de illegaliteit ging zich met het overbrengen van berichten bedienen van de postduif. Zodra dit door de Duitsers bemerkt werd, werd een verordening uitgevaardigd dat alle postduiven gedood moesten worden en de ringen ingeleverd. Aan de hand van deze gegevens en de reeds eerder ingeleverde lijsten was het met de ringen een gemakkelijke taak om te onderzoeken of wel alle duiven gedood waren.
Twee Nederlandse duivenhouders vonden het toch al te bar om al hun mooie duiven op te offeren aan de Duitse overwinning en besloten er in ieder geval de mooiste en de beste niet te doden. Hoe zij het precies flikten weet ik niet maar door een verminking aan de poot was het mogelijk de ring er af te halen en toch de duif in het leven te laten. Er werd goed gecamoufleerde kooi getimmerd en nu maar hopen dat alles goed zou aflopen. Maar het liep wel fout, maar dat was hun schuld niet.
Na enige tijd kreeg de heer J. bezoek van twee Duitsers in gezelschap van onze gemeente veldwachter. Het gehele huis werd grondig onderzocht en de duiven werden niet gevonden. Onverrichter zake gingen de Duitsers heen, zij waren al bij hun auto op straat toen de heer J. de gemeente-veldwachter toe vertrouwde: “Ik zal ze nu toch maar opruimen. Ik durf het verder niet meer te riskeren”.
De gemeente-veldwachter riep daarop de Duitsers terug met de mededeling: “Ik weet ze al te zitten” . De Duitsers kwamen terug, vonden de duiven en smeerde meteen de heer J. en diens vriend P., want van deze waren er ook duiven bij, een proces-verbaal aan. Toen hun dagvaardiging thuis kwam om voor het gerecht te verschijnen ging de heer P. naar dokter Lobach om een verklaring dat de vrouw van P. aan een ernstige maagkwaal leed en daarom alleen vlees van gevogelte mocht gebruiken.
Dr. Lobach was wel zo vriendelijk, en gaf desbetreffende verklaring af. Of ze veel geholpen heeft is een andere vraag. Toen beide “misdadigers” voor de rechter verschenen stonden daar ook de duiven. De rechter las de verklaring van Dr. Lobach en op de duiven wijzende zei hij: “Dat zijn toch postduiven”. Waarop P. antwoordde: “ ’n Mooi stel soepduiven zijn het. Eerder had ik mooi blauwe doffers, maar die heb ik moeten slachten. Deze moest ik wel behouden want er is vrijwel geen gevogelte meer te koop”. Maar diep in z’n hart treurde P. om zijn mooie blauwe doffers die het risico van gestraft te worden waart waren. Dat gebeurde dan ook, beide werden tot een gevangenisstraf veroordeeld.
Dat was een droeve tijding voor het kinderrijke gezin van Mevrouw J. Er was de kostwinner ontvallen en schraalhans dreigde keukenpiet te worden. Ze besloot audiëntie aan te vragen bij Seijs Inquart en kreeg die ook. In rap Udenhouts vertelde zij hem dat haar man niet de minste behoefte had om met de duiven enige rol te spelen in het verzet. Dat hij als ambachtsman zich niet met de politiek bemoeide maar allen werkte voor zijn gezin. Een tolk had moeite genoeg om haar woordenstroom te vertalen. Maar als een Duitser haar in het Duits iets vroeg had zij meteen haar antwoord klaar. Dit verwonderde Seijs en hij vroeg haar hoe het kwam dat zij blijkbaar goed Duits verstond maar niet sprak.
Ze antwoordde heel eenvoudig: “Ik krijg veel Duitse soldaten in m’n winkel en hun kan ik daardoor goed verstaan. M’n man repareert dikwijls hun benodigdheden. Daardoor versta ik goed Duits, maar ik heb het nooit leren spreken of lezen”.
Een aanmerkelijke vermindering straf leverde deze tocht naar Den Haag toch wel op.

Dit muisje kreeg toch nog een staartje. Het was na de bevrijding tijdens de grote zuivering dat er overal bevrijdingsfeesten gevierd werden. Ook in Udenhout. Op een deze avonden gaf de oudste zoon van de heer J. een brutaal antwoord aan de gemeente-veldwachter, die hem daarop een draai tegen zijn oren gaf.
Woedend keek de jongen de veldwachter aan en snauwde hem toe: “Jij komt morgen voormiddag bij ons je excuus aanbieden, of ik heb met jou nog ’n appeltje te schillen” .
Het excuus kwam. De jongen was niet wraakzuchtig. Het incident was daarmede besloten.

HERINNERING (26)

Laten we ditmaal eens beginnen met een “mop” uit de die tijd waarin de Duitsers het meende het “zeggen” te hebben.
Een Duitser en een Zwitser zaten ieder aan een kant van de Rijn te vissen. De Duitser riep: “De Rijn is Duits, dus je mag niet in de Rijn vissen”. Waarop de Zwitser antwoordde: “De Rijn is ook Zwitsers, dus ik mag wel in de Rijn vissen, bovendien vang ik allen maar Zwitserse vissen, als ik een Duitse vis vang dan gooi ik die terug” Duitser: “O ja?, waaraan kun je die dan kennen?” Zwitser: “Aan hun grote bek”.

Had de gewone man van de straat, aanvankelijk weinig van de Duitsers te duchten, dat werd naar mate de oorlog langer duurde en de Duitsers door het mobiliseren van eigen mankracht, stilaan anders. Het Duitse leger dat steeds meer verliezen leed en steeds op meer fronten moest gaan vechten ontrok daardoor steeds meer mankracht en vakkundig personeel aan de industrie, welke juist door de immer stijgende vraag aan geschoolde- en ongeschoolde arbeidskrachten. Waar konden die dan ook beter gehaald worden dan uit de bezette landen en uit de daartoe bereid zijnde krijgsgevangen.
Door geen steun te verlenen aan werklozen werden de duimschroeven van armoede en honger steeds vaster aangedraaid. In november 1941 werd het aantal niet ingeschreven werklozen op 130.000 geschat. Sommige trachtte door wat klusjes op te knappen aan den eet te blijven. Het is begrijpelijk dat voor velen het een moeilijk bestaan werd. Schrijver dezes maakte in deze dan ook voor het eerst kennis met wat verzet of illegaliteit genoemd werd. Het waren enige welgestelde heren welke hutje bij mutje legde, dat wil zeggen geld, daarover ook andere aanspraken, dit bijeen gebrachte geld in kleine coupures omzette dat in couverts deed en die adresseerde aan kostwinners zonder dat er een afzender bij vermeld werd en deze dan nu hier en dan daar postte, zodat bij een eventueel onderzoek niet aan de poststempel kon worden afgeleid waar de afzenders zaten. Aan ondergetekende werd gevraagd medewerking daaraan te verlenen wat dan ook gebeurde is.
Toen de Duitse machthebbers er steeds meer toe overgingen om de Nederlandse organisaties onder N.S.B.-beheer te plaatsen waren de Nederlandse nu niet precies zo vriendelijk om aan de verlangens te voldoen. De besturen van officiële vak- en standsorganisaties waren niet bereid voetstoots zich aan de gehate Duitsers en hun landhangers de nog meer gehate N.S.B. te volgen. Zo liet het Katholieke Onderwijzers Verbond op 28 juni 1941 een officieel schrijven uitgaan waarin op gewezen werd op de brief van de Ned. Bisschoppen, waarin op gewezen werd dat het lidmaatschap van het Opvoedersgilde verboden was. Dat had een massaal bedanken als lid tot gevolg.
Bovendien gingen de Duitse machthebbers er steeds meer toe over het Nederlandse volk het Duitse ideologie op te dringen en hun tot aanhangers van de Ras, Bloed en Bodem theorie te maken. Zij beperkte alle liefdadige activiteiten der kerken door deze terug te dringen tot in het gebouw zelf vandaar die collecties “voor bijzondere noden”.
Of dat hieraan in Udenhout royaal aan gegeven werd heb ik niet kunnen achterhalen.
Maar gezien onze 1 cent per zondag bijdrage voor het onderhoud van de parochie is er bij mij toch wel enige twijfel. Ook daar drong ons niet de noodzakelijkheid van door.

De machthebbers voerden tegenover de oude liefdadige-instellingen “Winterhulp” en “Volksdienst” in, zij waren machtig genoeg om ten bate daarvan postzegels met toeslag in te voeren.
De series Winterhulp en Heldendom zijn wel bekend.
Deze brachten toch nog al wat geld in het laatje, en is vermoedelijk te wijten aan de speculatieve kant van de zwartgeld beleggers.
Maar tot heden hebben zij de rente van het daaraan bestede geld nauwelijks opgebracht. Een nieuwe orde werd aan ons volk opgelegd welke het vertaalde in:
Nieuwe orde
Lege borden,
Zonder vet
Vroeg naar bed,
Lekker warm
Lucht alarm.

Postgeschiedenis van Udenhout

opgetekend door C.A. van Iersel

In relatie tot de familie Scholtze.

Deze postgeschiedenis is opgetekend naar aanleiding van familieoverleveringen,
deze kloppen niet geheel met de historische feiten.
Verhaal overgenomen uit weekblad de Wegwijzer voor Udenhout en Biezenmortel
2de jaargang 1968.

Het postagentschap van Udenhout.
Alvorens te gaan vertellen over het postagentschap Udenhout een woordje vooraf
over “Tante Post”.

Het is zeker dat zo oud als het mensdom is, dat het overbrengen van berichten
noodzakelijk is geweest. Iedere verzender van brieven of berichten was voordat
de post bestond genoodzaakt een eigen bode te zenden, wat betekende dat de verzending
van een briefslechts mogelijk was indien de verzender de financiële

Middelen had een bode erop na te houden of er een te huren. Naarmate Europa
meer bevolkt geraakte werd de noodzaak van een regelmatig en vooral ook goedkoper
vervoer van post ingezien. En het Frans de La Tour et Tassis

(1450-1517) welke een eerste regelmatige postdienst organiseerde. Een zijner
nakomelingen werd voor zijn verdiensten op dit gebied zijn land bewezen tot
de adelstand verheven. Zij werden de postmasters met de grote P; waarover ik
u wil vertellen zijn de postmeesters met een kleine p.

De post is geen vervoermiddel; de post is volgens “Lombart”een verzamel-instituut
welke brieven, pakketten en goederen op één plaats doet verzamelen
om deze daarna door te sturen en te bezorgen. Voor het merendeel maakt ze gebruik
van vervoermiddelen van anderen. In ons land werkten eerst de boden en de schippersposten
later samen met inmiddels gekomen postmeesters van verschillende steden welken
reeds in de 16e eeuw officiële bodediensten erop nahielden.

In 1752 werd de Statenpost Holland opgericht. Met ingang van 1799 werden alle
posterijen nationaal verklaard. Het grote probleem in de verzending was; zijn
de verschuldige portokosten voldaan? Wat een administratieve romslomp medebracht
en naarmate het postverkeer toenam naar vereenvoudiging werd uitgezien. Het
is de eer aan Engeland waar de postzegel werd uitgebracht, die als bewijs dat
het verschuldige recht betaald werd op de te verzenden brief geplakt werd. Het
was in 1850 tijdens het ministerie van Thorbecke dat de eerste post-wet in Nederland
tot stand kwam.

Twee jaar later werd als gevolg hiervan in navolging van Engeland, de eerste
postzegel uitgegeven. In 1891 werd tenslotte de thans regerende postwet in-gevoerd
en met deze post ontstond een gemeenschappelijke bode, die voor gezamenlijke
rekening werkte. Een ieder kon voor een bescheiden bedrag over deze duizenden
boden beschikken die meestal met een te respecteren snelheid het poststuk ter
gewenste plaats bezorgen.

Om nu terug te komen op de postzegelgeschiedenis van Udenhout en de daarmede
verbonden familie Scholtze eerst nog het volgende.

De familie Scholtze is van Duitse oorsprong. Volgens de familieoverlevering
was de stamvader geboren in Brunswijk (Braunschweig). Deze werd bij een regiment
ingelijfd dat afkomstig uit Pruisen ter beschikking van stadhouder Willem de
vijfde werd gesteld.

De Heer Scholtze wiens naam oorspronkelijk als Schültze, dus met een u
met umlaut geschreven werd, distangeerge zich van dit regiment en vestigde zich
in

’s-Gravenhage. Hun zoon Jan ging in 1797 tot de R.K. Godsdienst over hetwelk
voor deze streng Luteraanse familie de reden was hem te doen verbannen. Hij
kwam met zijn gezin in Noord Brabant terecht en werd in 1803 te Udenhout als
postmeester aangesteld. Deze eerste postmeester – met een kleine p! –
van Udenhout genoot een vast salaris (gaat u er even voor zitten) van ƒ.
25.—per jaar. Zijn taak was om brieven en poststukken naar ’s-Hertogenbosch
te brengen en andere daar af te halen. Voor het verzenden van deze poststukken
moest

10 cent betaald worden. 5 Cent daarvan was voor de postmeester, het overige
deel moest aan het poststation afgedragen worden die dan voor verdere verzending
van deze poststukken zorgden. De reis1 naar ’s-Hertogenbosch ging natuurlijk
te voet en om deze reis meer rendabel te maken kocht de heer Scholtze onderweg
kippen om deze met een paar centen winst weer te verkopen. Aanvankelijk vervoerde
hij deze waar in een mars, dit is een platte mand, op de rug. Hij woonde in
een dubbel “woonhuis”naast de Ploegweide in de Slimstraat. Zijn
huis had in de volksmond de veelbetekende naam van “Varkenskooi”gekregen.
Zijn bedoening floreerde echter zo goed dat hij zich na enige tijd de weelde
van drie trekhonden kon veroorloven welke voor en onder de trekkar gespannen
werden. Wanneer het gehele span dan des avonds vermoeid thuis kwam en de legerstede
ging opzoeken dan waren het de honden die het eerst de bedstede inkropen. Daarna
de heer Scholtze en zijn vrouw en zij genoten alle vijf van een heerlijke nachtrust.

Wanneer de heer Jan Scholtze zijn functie als postmeester neerlegde is niet
bekend. Wel dat zijn zoon Martien hem opvolgde. Deze werd op 24 januari 1801
te ’s-Gravenhage geboren. Op zijn overlijdensacte staat; Op 4 februari
1867 is te Udenhout overleden Martien Scholtze, weduwnaar, van beroep gepen-

Sioneerd brievengaarder, geboren te ’s-Gravenhage zoon van Jan Scholtze
en Anna Maria Schoenmakers. Martien Scholtze werd opgevolgd door zijn zoon Adriaan
welke 21 januari 1834 te Udenhout geboren werd en het beroep schoen-

maker leerde. Deze huwde in 1867 met Petronella Copal. Het was tijdens deze
postmeester dat door het ministerie van Thorbecke de postzegel werd ingevoerd
waardoor het postwezen veranderde en het gebruikelijke betalen bij ontvangst
van de brief of het opschrift “port betaald”door de afzender werd
vervangen door de postzegel. De postzegels en de andere stukken bewaarde de
heer Scholtze in een platte trommel welke hij op zijn werkstoel had staan want
hij was schoenmaker van zijn beroep en de post in deze bijzaak. Naarmate de
post zich meer ontwikkelde kwam het beroep schoenmaker in gedrang en tenslotte
werd de heer Scholtze officiëel aangesteld als brievengaarder. De poststukken
werden nu gehaald en gebracht door een bode. Jantje den Booij genoemd. Hij woonde
te Tilburg waar thans de Korenbloemstraat is. De heer Scholtze woonde toen met
zijn gezin in de Kreitenmolenstraat thans nr. 30. In datzelfde huis woonde Jan
van Haaren en G. Robben, dit is de middelste woning van de blok van drie woningen.
Jantje de Booij bleek een praktisch mens te zijn die zijn werk zo effectief
mogelijk deed. Wanneer Jan zijn poststukken in ontvangst genomen had dan stapte
hij via de Enschotsebaan door Enschot en Berkel via het Berkels akker naar de
moestuin van Jan Scholtze, liep deze van achter naar voor door, de achterdeur
bij Scholtze binnen, verwisselde in “postkantoor”de poststukken,
ging door de voordeur weer uit om door de Kreitenmolenstraat lopende de post
naar Oisterwijk te brengen.

Hiervoor moest hij Quatra Bras passeren. Het gelijknamige café daar ter
plaatse werd door hem dagelijks bezocht. Hij stapte daarvoor de zijdeur in ,
nam een drie centen, een borrel jenever naar de prijs zo genoemd, welke voor
hem gereed stond, dronk hem voor de helft leeg, ging de voordeur uit naar Oisterwijk
waar het postkantoor destijds in de Hoofdstraat stond. Nadat de poststukken
verhandeld waren werd de terugtocht aanvaard. Café Quatre Bras werd wederom
aangedaan, doch nu via de voordeur naar de tapkast waar de reste-rende helf
van de drie centen in het keelgat verdween. Nu door de zijdeur uit, door de
Kreitenmolenstraat naar Scholtze de post werd dan wederom verwisseld, dan ging
Jan de achterdeur weer uit door de moestuin en via het Berkels akker weer naar
Tilburg. Deze tocht werd dagelijks jaren aan een stuk gemaakt. Waren in die
tijd, het was nu rond 1870, weinig brieven te bestellen, met de couranten was
het nog erger gesteld. Aanvankelijk kwam er één.

De heer Paul Borsten , hoofd van school, of wel de bovenmister genoemd, was
geabboneerd op De Tijd en las deze courant samen met de heer Le Mire en verdere
bewoners van kasteel De Strijdhoef. De post bezorgde de courant bij de heer
Borsten, deze gaf hem na lezing aan zijn hond met de opdracht de courant naar
het kasteel te brengen, aaan welke opdracht de hond voldeed.

De tijd gin g verder. Een steenfabriek werd in Udenhout gebouwd en daarmede
kwamen de eerste gastarbeiders in Udenhout. Udenhout ging meer bewoners tellen,
waardoor de “post” ook meer betekenis kreeg. In 1881 kwam de treinverbinding
’s-Hertogenbosch – Tilburg tot stand en werd de post per trein verzonden.
Driemaal per dag moest de heer Scholtze nu naar de trein om daar de postzakken
te verwisselen. ’s-Morgens om 7.00 uur, ’s-Middags om 12.00 uur
en des avonds om 21.00 uur ging jean naar het spoor. In 1882 verhuisde de familie
Scholtze naar nu Kreitenmolenstraat 4. Deze woning die aan de heer Verstegen
behoorde moest nog met twee families gedeeld worden, bovendien was er nog een
paardenslachterij gevestigd. Toch begon het hier op een echt postkantoor te
gelijken. Er kwam een soort vestibule van ± 1.5 m2 groot en werkelijk
een heus loket. Door het vestigen, stichten en uitbreiden van de indu-strieën
werd wed de post steeds drukker. Pakkette en geld werden ter verzending aangeboden.
Daardoor werd een boekhouding en het invullen van tabellen noodzakelijk en groeide
het werk – van de heer Jean Scholtze die op 21 juni 1834 te Udenhout was geboren
en in de eenmansschool van Paulus Borsten zijn vroegtijdig beëindigd onderwijs
had genoten – langzaam maar zeker boven het hoofd. Op 22 juli 1867 huwde
Scholtze Petronella Copal. Zijn oudste dochter Martina Scholtze, later in de
wandeling Tina Schol genoemd, assisteerde hem bij het groeiende werk. In 1906
kwam de bovenmeesters vrij ( dat is het middengedeelte van het gemeentehuis
alwaar, weer verbouwd, het secretarie was) deze woning werd tot een ruim kantoor
met ruime vestibule en loket verbouwd. Hier kreeg de post meer armslag. Het
briefverkeer werd drukker en het aanstellen van een postbesteller werd noodzakelijk.
Het was de heer Ant. Boers wonende in de Kreitenmolenstraat welke in 1900 als
eerste bode in Udenhout voor plaatselijke dienst zijn aanstelling kreeg, en
daarvoor een salaris genoot van ƒ. 3.—per week. Op verzoek van de
gemeente werd Udenhout in 1900 op het telefoonnet aangesloten. De steenfabriek
was de eerste aangeslotene en had derhalve nr. 1. Het werd steeds drukker op
het kantoor, een tweede besteller werd aangesteld; de heer P. Bevers. Later
gevolgd door Jan en Willem Verschuren. M. De Bont werd hulp besteller. Hij had
– over efficiëntie gesproken – drie uur en elf minuten dienst
per dag. Jean Schol overleed in 1901. Van hem is nog bekend dat hij een goedige
maar zure mens was die het steeds betreurde dat zijn ontwikkeling op een te
laag peil stond om zijn groeiende werk naar behoren te kunnen vervullen. Zijn
gezegde “er ligt niets meer op het kerkhof als ongebruikt arm-mensen-verstand
en dokters abbuizen” typeerde hem ten volle. Na zijn dood dienden de inwoners
van Udenhout een request in bij het bestuur van de posterijen te ’s-Gravenhage
en verkregen hierdoor dat de eerder genoemde Martina Scholtze te Udenhout als
opvolgster van haar vader als brievengaardster werd aangesteld. Zij beheerde
het kantoor, maakte de dienst voor de bestellers en maakte de onrust mede die
de postkantoren hadden in de jaren 1914-1918 toen Nederland gemobiliseerd was.
En op vele plaatsen van Noord Brabant – ook in Udenhout – militairen ingekwartierd
waren. In vele gevallen, wanneer het land dreigde te worden medegesleurd in
de grote oorlog moest de telefoon dag en nacht bewaakt worden en was het de
nu nog in leven zijnde Antoinette Scholtze, geboren 9 juli 1881, die haar assisteerde
en deelde in de onrust en angst dat Nederland in de oorlog betrokken zou worden.

Ook hield Martina samen met haar zus Ant de wacht bij de telefoon, bij de op
handen zijnde geboorte van Prinses Juliana, om dit ten spoedigste aan de burgemeester
te kunnen mededelen. Ook waren zij op de hoogte van de vele Udenhoutse romances
via de doorverbindingen via de telefooncentrale.

Intussen had de broer van deze dames Martinus Scholtze, geboren 24 september
1876, het schootsvel met het embleem van de posterijen verwisseld. Hij werd
overgeplaatst naar Dongen en Rijen. Martinus huwde te Rijen met Petronella Kin
en overleed aldaar 2 januari 1915. Door dit vroegtijdig overlijden en de pensionering
van Martina Scholtze in 1926 kwam aan een eeuwlange familie- traditie een einde.

Het verzonken kasteeltje

Een verhaal van Ome Tinus (van Iersel)

Het verzonken kasteeltje van Udenhout

Opgetekend door C.A. van Iersel

Het verzonken kasteeltje van Udenhout.

Het was omstreeks 1915 dat mijn oom Tinus me op zekere dag het verhaal van het verzonken kasteeltje vertelde. Hij beweerde dat zijn grootvader nog de resten van de gemetselde stijlen had gezien, waaraan eens de poorten van het kasteeltje gehangen hadden.

Het verhaal dateerde uit de jaren 1785-1790 toen een roversbende Zuid-Limburg onveilig maakte. De rovers oefenden een waar schrikbewind uit op het Valkenburgse land. Ze vermoordden en plunderden kooplieden en reizigers, stalen alles wat van hun gading was en schatten boeren en grootgrondbezitters. Voor hun brandbrieven gebruikten ze steevast papier dat met bokken gemerkt was en op hun trektocht namen ze deze dieren vaak mee. Door de afdrukken van de hoeven in de grond wisten hun slachtoffers onmiddelijk door wie ze beroofd waren. De bevolking kende in hun angstige fantasieën de rovers de onmogelijkste krachten toe. Sommigen zagen de bandieten in hun verbeelding op bokken door de lucht vliegen. Anderen meenden dat ze zich per bok verplaatsen om geen sporen achter te laten die tot ontmaskering konden leiden. Door dit alles stond de bandietengroep bekend onder de naam Bokkenrijders.
Als de grond de Bokkenrijders te heet onder de voeten werd, verdwenen ze voor een tijdje. Sommigen van hen doken onder in een kasteel te Udenhout, waar een zekere Jozef Kirchoff een ’chirurgijn’ uit Kerkrade, de scepter zwaaide.

Het was 24 december. Een dikke sneeuwlaag bedekte het landschap en maakte de wegen vrijwel onbegaanbaar. Zo ver het ook reikte was alles wit. Een bittere hevigheid heerste in alle hevigheid en deed mens en dier beschutting zoeken tegen de felle noordoosten wind, die scherp als een mes door kleding en kieren van huis en stal sneed. De boeren verzagen hun vee van extra stro en sloten zorgvuldigers dan anders hun stallen. Deuren en luiken werden eerder afgesloten dan gewoon en de bewoners groepten samen rond het haardvuur dat tevergeefs trachtte de gehele woning te verwarmen. In de bittere kou was een pelgrim op weg naar huis. Vermoeid sukkelde hij voort, hopend nog voor de nacht een onderdak tegen de felle kou te vinden en een stuk brood te ontvangen om zijn ergste honger te stillen. Eindelijk zag hij ergens licht branden. Vol goede moed ging hij er opaf en het bleek een bewoond kasteel te zijn. Hij liet de zware klopper op de deur vallen. Het geluid kaatste door de gangen en werd in de zaal gehoord. Na korte tijd werd een kijkvenster geopend en een barse stem vroeg wat de late bezoeker wenste. “Om Gods wil, brood en onderdak”, smeekte de pelgrim. “Ik zal het vragen”was het antwoord. Even later werd de deur geopend en de late gast binnengelaten. De pelgrim werd door zijn begeleider naar een grote zaal van het kasteel gebracht waar een groep gore mannen en vrouwen bijeen was. “Wijntje en Trijntje”vierden hoogtij. Even bleef de nieuwkomer verbaasd en verdwaasd staan. Toen ging hij naar binnen, aangetrokken door de warmte en de geuren van het heerlijke eten, en wachtte op een uitnodiging zich te warmen en toe te tasten. Zodra de bewoners van het kasteel echter in de gaten kregen wie en wat ze binnen hadden gehaald, barstten ze in hoongelach uit. Ze ontnamen de pelgrim zijn straf en dreigden die te verbranden. Even stond de belaagde onthutst te kijken, maar hij vermande zich en richtte zich in zijn volle lengte op. Hij herkende de Bokkenrijdersattributen en wist meteen in welk gezelschap hij verzeild was geraakt. Vernederingen en bespottingen liet hij rustig over zich heen gaan, maar toen hij min of meer gedwongen werd aan de braspartij deel te nemen, weigerde hij. Hij wees de rovers op hun zondige leven en bezwoer hun zich te beteren. Een spottend gelach was zijn antwoord. Daarop wendde hij zich tot hoofdman Jozef, die hij een dief en moordenaar noemde. De roverhoofdman schond gods wetten, zei hij, en ontheiligde door zijn braspartij de kerstnacht. De pelgrim wees op Gods barmhartigheid maar ook op Gods toorn die helen verdoemenis ten gevolge zou hebben. Razend van woede gaf Kirchoff het bevel; “gooi die vent eruit en laat hem kapot vriezen! Nee geen eten, geen brood, eruit met hem!” Een van de jongsten stond op, nam de pelgrim bij de arm en bracht hem buiten de poort. Daar gaf hij de man een in de haast meegenomen stuk brood en wilde toen teruggaan naar het kasteel. “Ga niet terug!”zei de pelgrim. “Ga niet terug , jongeman. Je bent nog jong en je hart is nog niet bedorven. Begin een nieuw, een ander leven en je zult gelukkig worden”. Vervolgens richtte de pelgrim zich naar het kasteel met zijn bewoners en vervloekte hen die door hun braspartijen de kerstnacht onteerden. Het was alsof de aarde beefde, het kasteel stortte in, en de aarde opende zich en langzaam verzonk het kasteel in de diepte. Onmiddellijk daarna sloot de aarde zich weer, gelijk een moeras zich sluit boven de ongelukkige die zich op deze voor hem onbekende, gevaarlijke grond waagt. Hevig ontsteld door alles wat hij had zien gebeuren, vluchtte de jongeman. Weg van de plaats die door de vervloeking getroffen was en waar zo’n dramatisch gebeuren had plaatsgevonden.
De pelgrim zette uitgeput zijn weg voort. Na enige tijd werd hij door zijn vermoeidheid overmand en zocht een plaatsje om even te kunnen rusten. Een door de sneeuw bedekt struikgewas bood enige beschutting tegen de felle, koude wind. Hij zette zich neer; even maar was zijn gedachte. Maar weldra doorstroomde hem een heerlijk gevoel van warmte, rust en tevredenheid. Hij sloot zijn ogen en met een glimlach op het gezicht dommelde hij in.
De volgende dag was het Kerstmis. Een ijzige stilte beheerste het landschap. De wind was gaan liggen en de voetstappen van de mensen die naar de vroegmis gingen, werden gedempt door de sneeuw die ’s nachts ruimschoots was gevallen. Op weg naar huis, na de plechtige dienst vonden de kerkgangers het bevroren lichaam van de pelgrim. Een glimlach van rust en tevredenheid lag om zijn mond. Op een ladder brachten ze hem naar de dichtsbijzijnde boerderij, vanwaar hij enkele dagen later als onbekende begraven werd.
Toen de mensen langs de plaats kwamen waar zo kort geleden nog een kasteel stond , maakten angst en verbazing zich van hen meester. Er was nu niets meer te zien dan wat steenresten en een hoopje puin. Als de pest werd het terrein voortaan gemeden. Onkruid en houtgewas overwoekerden de grond en het gebied kreeg in de volksmond de naam het verzonken kasteeltje.

Jaren kwamen en jaren gingen. Opnieuw werd het 24 december. Een late wandelaar zocht de plaats waar eens een kasteel stond op en bij zijn aankomst zag hij de dramatische gebeurtenis van toen weer voor zich. In gedachten hoorde hij de pelgrim opnieuw zeggen, “ga niet terug, jongeman!” hij zonk op zijn knieën en een dankbaar gevoel doorstroomde zijn hart. Hij was immers door de pelgrim gewaarschuwd en nog tijdig teruggekeerd op het goede pad. Toen hij een vreemd geluid vernam, legde hij impulsief zijn oor te luisteren op de grond. In de diepte hoorde hij feestgedruis, luide kreten en vloeken; en boven alles uit klonk het gebeier van klokken. Verbaasd stond hij op; in de verte galmde nog net de twaalfde slag van de kerktoren van een parochiekerk in de buurt. Hij voegde zich bij de kerkgangers en vertelde enkelen van hun het verhaal van wat daar jaren geleden gebeurd was.
Nog steeds zijn in de kerstnacht bij de klokslag van twaalf het feestgedruis en de klokken in de diepte horen. Zo vertelt de legende.
Het landgoed het verzonken kasteeltje ligt in de Mortel, een uithoek van Udenhout. In het jaar 1918 ben ik er in gezelschap van mijn oom gaan kijken. Het was een rechthoekig weiland omgeven door een wal van kreupelhout.
Vanaf het punt waar we stonden was het gehele gebied te overzien; het stond vol met paarse koekoeksbloemen en gele boterbloemen. Aan de vier zijden van het stuk grond tekende zich duidelijk een inzinking af, zo’n drie a drieëneenhalve meter breed. “Dat moet de slotgracht geweest zijn”, zei mijn oom wijzend naar het verzakte land. In gepeins verzonken ging ik naar huis. Het verhaal had diepe indruk op me gemaakt.